ECLI:NL:RBNHO:2026:9123

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
15/169176-23 en 10/074728-21 (tul)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen bankhelpdeskfraude en diefstal met valse sleutel

De rechtbank Noord-Holland heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van bankhelpdeskfraude en diefstal met valse sleutel gepleegd tussen juni en juli 2023. Verdachte en mededaders maakten op georganiseerde wijze misbruik van het vertrouwen van vooral oudere slachtoffers door zich voor te doen als bankmedewerkers en zo bankpassen, pincodes, contant geld en sieraden af te troggelen. Met de verkregen bankpassen werden geldbedragen opgenomen en aankopen gedaan.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de feiten met betrekking tot twee slachtoffers wegens onvoldoende bewijs. Voor de overige slachtoffers achtte de rechtbank verdachte wettig en overtuigend schuldig. De bewijsvoering bestond uit onder meer verklaringen van medeverdachten, telefoononderzoek, chatberichten en observaties rondom de aanhouding.

De rechtbank kwalificeerde de feiten als medeplegen van meervoudige oplichting en diefstal door meerdere personen met valse sleutels. Gelet op de ernst van de feiten, de jonge leeftijd van verdachte, eerdere veroordelingen, en overschrijding van de redelijke termijn, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 360 dagen op waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 360 uur.

De rechtbank behandelde ook vorderingen van benadeelde partijen. Een vordering van een slachtoffer werd deels toegewezen voor materiële schade van €1.500,- met wettelijke rente, terwijl een vordering voor immateriële schade werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De Rabobank kreeg een schadevergoeding van €9.347,- toegewezen. Een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen.

Ten slotte werden enkele telefoons verbeurd verklaard en andere teruggegeven. De verdachte werd veroordeeld in de kosten van de benadeelde partijen en tenuitvoerlegging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 360 dagen gevangenisstraf waarvan 180 dagen voorwaardelijk en 360 uur taakstraf voor medeplegen bankhelpdeskfraude en diefstal met valse sleutel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/169176-23 en 10/074728-21 (tul)
Uitspraakdatum: 21 juli 2026
Tegenspraak
verkort strafvonnis(art. 138b van het Wetboek van Strafvordering)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7 en 8 juli 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M.G.T. Kramer en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. M.J. Bouwman, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

De verdachte wordt beschuldigd van bankhelpdeskfraude. Samen met anderen zou hij door oplichting bankpassen hebben verkregen van de aangevers (feit 1). Met die bankpassen is contant geld opgenomen en zijn aankopen gedaan (feit 2).
Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:
Feit 1.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 juni 2023 tot en met 10 juli 2023 te Nijmegen en/of Hoorn en/of Enkhuizen en/of Medemblik, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [benadeelde 9] en/of [benadeelde 10] en/of [benadeelde 11] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een of meerdere bankpassen en/of pincodes en/of (gouden en/of zilveren) sieraden en/of € 14.100,00, althans(een) geldbedrag(en) van bovengenoemde slachtoffers, door
- zich (voorstellende als [naam 1] ) voor te doen als bankmedewerker/medewerker van de fraudehelpdesk en/of
- aan te geven dat er fraudeleuze handelingen zijn gepleegd op de bankrekening en/of dat iemand heeft geprobeerd om een geldbedrag van haar/hun rekening(en) af te halen/schrijven en/of
- aan te geven dat voornoemde slachtoffer(s) een of meer geldbedragen naar een andere rekening moesten overmaken en/of
- aan voornoemde slachtoffer(s) mede te delen dat deze hun betaalpas(sen) in een enveloppe moesten stoppen en/of een code (te weten 419)op de enveloppe moesten schrijven en/of
- te zeggen dat er een bankmedewerkster langs zou komen om voornoemde slachtoffer(s) te helpen en/of hun pinpas(sen) op te halen en/of
- aan voornoemde slachtoffer(s) een code te verstrekken waarmee de langskomende bankmedewerkster zich zou melden en/of
- met de verkregen betaalpas(sen) en/of pincode van voornoemde slachtoffer(s) de woning van die slachtoffer(s) te verlaten om met de verkregen betaalpas(sen) en/of pincode bij een pinautomaat geld te pinnen en/of goederen te kopen en/of
- voornoemde slachtoffer(s) om sieraden en/of contant geld te vragen om te verzekeren;
Feit 2.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 juni 2023 tot en met 7 juli 2023 te Nijmegen en/of Hoorn en/of Enkhuizen en/of Medemblik, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een of meerdere geldbedragen van (in totaal) € 22.968,00, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8] en/of [benadeelde 9] en/of [benadeelde 10] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van door middel van een valse sleutel, te weten door met de betaalpas(sen) van voornoemde slachtoffers onbevoegd geldbedragen over te maken naar andere bankrekeningen en/of op te nemen bij geldautomaten en/of goederen te kopen bij A-Mac en/of goederen bij een of meer winkels te kopen door (telkens) deze betaalpas(sen) en/of vervolgens de pincode(s), welke een unieke combinatie met het nummer op voornoemde bankpas vorm(en), in te toetsen waarna de aldus gedane betaling(en) telkens ten laste van voornoemde slachtoffer(s) zijn gekomen.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier
van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Op de verweren van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Inleiding
Deze zaak gaat over meerdere gevallen van een specifieke vorm van oplichting die ook wel wordt aangeduid met de term ‘bankhelpdeskfraude’. Uit de aangiften in het dossier komt in grote lijnen telkens dezelfde werkwijze naar voren, die zich in het kort als volgt laat omschrijven. De slachtoffers, meestal van gevorderde leeftijd, werden gebeld door een persoon die zich voordeed als een medewerker van de bank of van de fraudehelpdesk. De zogenaamde medewerker (die zich in veel gevallen van de naam ‘ [naam 1] ’ bediende) vertelde het slachtoffer dat er fraudeleuze handelingen waren gepleegd met de bankrekening van het slachtoffer. De medewerker gaf te kennen dat er iemand van de bank bij het slachtoffer langs zou komen om de pinpas op te halen. Deze persoon zou de aangever een code vertellen. Vervolgens verscheen er een persoon bij de woning van het slachtoffer die zei van de bank te zijn en inderdaad deze code wist te vertellen.. Het slachtoffer werd zo bewogen pinpas(sen) en de bijbehorende pincode(s) af te geven en in een aantal gevallen een bedrag aan contant geld en sieraden. Kort hierna werden met de afgegeven pinpassen in veel gevallen geldbedragen opgenomen en/of aankopen gedaan, bij onder meer Coolblue, de Amac en de Mediamarkt.
3.3.2
Vrijspraak feiten 1 en 2 ten aanzien van [benadeelde 1]
Naar het oordeel van de rechtbank moet de verdachte worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten voor zover deze feiten zien op aangever [benadeelde 1] . De rechtbank overweegt daartoe dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te kunnen vaststellen dat de verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de oplichting dan wel diefstal van aangever [benadeelde 1] .
3.3.3
Vrijspraak feit 2 ten aanzien van [benadeelde 3]
Naar het oordeel van de rechtbank kan het onder 2 ten laste gelegde feit, voor zover die ziet op aangeefster [benadeelde 3] , niet worden bewezenverklaard. Vastgesteld kan worden dat de bankpas van de aangeefster haar op slinkse wijze afhandig is gemaakt, maar zij maakt er geen melding van dat er met de bankpas aankopen zijn gedaan of geld is opgenomen. Het dossier bevat wel aanwijzingen dat op de betreffende dag een aankoop bij de Mediamarkt heeft plaatsgevonden. Daarnaast is op een video op een telefoon die de verdachte in gebruik had de bankpas en de bankomgeving van aangeefster te zien. Ook bevindt zich in het dossier een vordering van de Rabobank die verband houdt met een op 4 juli 2023 door de bank uitgekeerd geldgedrag in een fraudedossier van de aangeefster. Uit deze stukken kan echter niet worden afgeleid op welke transacties zij betrekking hebben, met welk betaalmiddel die transacties zijn verricht en evenmin dat daarbij de door oplichting afhandig gemaakte bankpas is gebruikt. Dit is onvoldoende om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat de verdachte of een medeverdachte met die bankpas heeft gepind dan wel anderszins met die pas een geldbedrag heeft weggenomen. De rechtbank zal de verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
3.3.4
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten voor zover die zien op de overige aangevers en ten aanzien van aangever [benadeelde 3] voor feit 1 en grondt de beslissing dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen.
De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun
inhoud betrekking hebben.
De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.
3.3.5
Bewijsmotivering
Vastgesteld kan worden dat de bankpassen van aangevers [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 9] , [benadeelde 10] en [benadeelde 11] op slinkse wijze afhandig zijn gemaakt en dat kort daarna met de bankpassen, met uitzondering van de bankpassen van [benadeelde 3] en [benadeelde 11] , is gepind.
Betrokkenheid van de verdachte
Op 10 juli 2023 is de verdachte aangehouden toen hij zich samen met medeverdachte [medeverdachte 1] en twee anderen in de auto op de hoek van de woning van slachtoffer [benadeelde 11] bevond. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij kort voor de aanhouding met [benadeelde 11] heeft gebeld en het slachtoffer heeft opgelicht. In de auto werd na de aanhouding de bankpas van [benadeelde 11] , het weggenomen geld en sieraden aangetroffen.
Ten aanzien van de overige oplichtingen stelt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte vast dat het voertuig met kenteken [kenteken] , de auto van de moeder van de verdachte, en de telefoon van de verdachte rond het tijdstip van de oplichtingen steeds in de omgeving van de woonplaats van het slachtoffer of pinlocaties reed dan wel aanstraalde. Ook werd dit kenteken genoteerd door personeel van de Mediamarkt toen gepoogd werd een aankoop te doen met de pinpas van een van de slachtoffers.
Uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte is gebleken dat daarmee onder meer is gezocht naar de adressen van de slachtoffers en pinlocaties. Deze adressen komen ook terug in chatgesprekken op het Snapchataccount ‘ [snapaccount] ’ op die telefoon. Daarnaast zijn afbeeldingen van (doorgeknipte) bankpassen, verpakkingen van iPhones, dikke pakken met bankbiljetten en rekeningoverzichten van slachtoffers op de telefoon van de verdachte aangetroffen.
De verdachte heeft verklaard dat hij in de tenlastegelegde periode weliswaar gebruik maakte van de auto van zijn moeder en dat de telefoon van hem was, maar dat deze ook door anderen werden gebruikt. Vrienden maakten ook gebruik van zijn Snapchataccount ‘ [snapaccount] ’ en hebben weleens via zijn account berichten en foto’s gestuurd.
De verklaringen van de verdachte over het uitlenen aan anderen van de auto van zijn moeder, zijn telefoon en het gebruik van zijn Snapchataccount schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde wegens gebrek aan nadere onderbouwing en bij gebrek aan steun daarvoor in het dossier. Dit niet nader onderbouwde uitleenverweer verklaart onvoldoende waarom zowel de telefoon als de auto telkens bij de feiten opduiken en op de telefoon een grote hoeveelheid zaakgerelateerde gegevens wordt aangetroffen. Daarbij komt dat de verdachte op beeld is betrokken bij een van de feiten. Op de telefoon van de verdachte is ook een video gevonden waarin het telefoongesprek met slachtoffer [benadeelde 2] is te horen en op een screenshot van deze video is te zien dat de telefoon waarmee naar [benadeelde 2] wordt gebeld op schoot ligt van een persoon die een felroze sportbroek draagt. Dit kledingstuk komt overeen met de broek die de verdachte droeg ten tijde van zijn aanhouding. Op foto’s van diezelfde dag, ook aangetroffen op de telefoon van de verdachte, is een persoon te zien die op de achterbank in de auto zit met eenzelfde felroze broek, een horloge gelijkend op het horloge dat bij de verdachte in beslag is genomen en een ketting die de verdachte herkent als zijn ketting. De rechtbank maakt hieruit op dat het de verdachte was die op de video met [benadeelde 2] belt.
De rechtbank acht ook de verklaring van de verdachte dat hij nietsvermoedend enkel als chauffeur heeft opgetreden bij de oplichting van [benadeelde 11] volstrekt ongeloofwaardig mede gelet op de gegevens die in zijn telefoon zijn aangetroffen. Daarop is namelijk onder meer een Snapchatgesprek met medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen op de dag van de oplichting van [benadeelde 11] waarin het snapchataccount met de gebruikersnaam ‘ [snapaccount] ’ stuurt:
" [naam 2] " "Is je naam!". Deze naam komt overeen met de naam die volgens de aangifte van [benadeelde 11] is gebruikt door de koerier (medeverdachte [medeverdachte 1] ) die haar bankpas, contant geld en sieraden heeft opgehaald. Bovendien werd [benadeelde 11] door medeverdachte [medeverdachte 1] gebeld vanuit de auto die de verdachte bestuurde. Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] volgt dat het telefoongesprek door de verdachte is overgenomen op het moment dat medeverdachte [medeverdachte 1] de auto uit stapte om naar de woning van [benadeelde 11] te gaan. Deze verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] wordt ondersteund door de bevindingen van de verbalisanten die het telefoongesprek met [benadeelde 11] hebben uitgeluisterd en constateren dat er daadwerkelijk op dat moment een stemwissel heeft plaatsgevonden. Verder heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat hij tijdens het telefoongesprek met [benadeelde 11] met een normaal volume sprak en niet fluisterend, waardoor het niet aannemelijk is dat de verdachte dit gesprek niet zou hebben meegekregen omdat hij Airpods in had. De verdachte was kortom wel degelijk op de hoogte van de oplichtingspraktijken.
Medeplegen
De verdachte heeft ontkend als medepleger betrokken te zijn geweest bij de oplichtingen, dan wel diefstallen van de geldbedragen.
Volgens de raadsman zijn de gedragingen van de verdachte niet te kwalificeren als medeplegen, maar hooguit als medeplichtigheid; voor de zaken waarin de verdachte wordt gezien als chauffeur geldt dat de chauffeur niet hoefde te weten wat de passagiers aan het doen waren. Dit verweer slaagt niet en de rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Vooropgesteld wordt dat gelet op alle handelingen die moesten worden verricht in het kader van de oplichtingen en de daaropvolgende diefstallen duiden op een gezamenlijk en vooropgezet plan. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat er verschillende rollen waren die vervuld werden door meerdere personen. Het aantal personen verschilde per oplichting. De medeverdachte [medeverdachte 1] kocht een lijst met daarop de gegevens van de potentiële slachtoffers. Een persoon belde in de auto met het potentiële slachtoffer, de beller, terwijl een andere persoon, de chauffeur, zorgde voor het vervoer van de daders naar het adres van het slachtoffer en vervolgens naar verschillende geldautomaten of winkels. Alle personen die op dat moment in de auto zaten, wisten volgens medeverdachte [medeverdachte 1] wat het plan was. Een persoon, de koerier, ging naar de woning van het slachtoffer om de enveloppe met daarin de pinpas en in sommige zaken ook geld en sieraden op te halen. In de tussentijd bleef de beller met het slachtoffer aan de lijn zodat deze niet op zou hangen. Vervolgens ging een persoon, de pinner, naar de pinautomaat of naar de winkel om met de pinpassen geld te pinnen of goederen te kopen. De buit werd verdeeld onder de personen die bij de uitvoeringshandelingen betrokken waren en soms ook met de persoon die de gegevens van het slachtoffer had gegeven.
De rechtbank is van oordeel dat bij alle feiten sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verschillende daders ter uitvoering van dit plan. Zonder de rol van de ene dader had de navolgende handeling niet plaats kunnen vinden. Uit het dossier blijkt dat de verdachte verschillende rollen heeft gehad. Niet alleen heeft hij de rol van chauffeur vervuld, maar uit de hiervoor genoemde verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] over het telefoongesprek met [benadeelde 11] en de hiervoor genoemde video en afbeeldingen op de telefoon van de verdachte waarop het telefoongesprek met [benadeelde 2] te horen is, volgt dat de verdachte ook de rol van beller heeft vervuld. Uit de omstandigheid dat de verdachte de ene keer de chauffeur was en de andere keer beller, volgt dat de rollen van de daders inwisselbaar waren. De intensiteit van de samenwerking, de hiervoor beschreven rol in de uitvoering en het belang van de rol van de verdachte maken dat sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen meerdere personen, gericht op het pinnen met de afgetroggelde pinpassen. De slotsom is dat alle handelingen in dienst stonden van het uiteindelijke doel: zoveel mogelijk geld buit maken. Eenieder die één van de handelingen of rollen binnen deze werkwijze vervulde, leverde daarmee ook een wezenlijke en essentiële bijdrage aan de overige handelingen.
Op grond van al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot de conclusie dat in alle gevallen sprake is geweest van een duidelijk vooropgezet plan en een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte(n), waarbij de verdachte een rol van voldoende gewicht had.
Conclusie
De rechtbank acht in alle zaken – met uitzondering van die van [benadeelde 1] en de diefstal van [benadeelde 3] – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde oplichtingen en de daaropvolgende diefstallen met valse sleutel.
3.3.6
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1.hij in de periode van 14 juni 2023 tot en met 10 juli 2023 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] en [benadeelde 8] en [benadeelde 9] en [benadeelde 10] en [benadeelde 11] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het ter beschikking stellen van gegevens, te weten een of meerdere bankpassen en/of pincodes en/of sieraden en/of geldbedragen van bovengenoemde slachtoffers, door
- zich voor te doen als bankmedewerker/medewerker van de fraudehelpdesk en/of
- aan te geven dat er fraudeleuze handelingen zijn gepleegd op de bankrekening en/of dat iemand heeft geprobeerd om een geldbedrag van haar/hun rekening(en) af te halen en/of
- aan te geven dat voornoemde slachtoffer(s) een of meer geldbedragen naar een andere rekening moesten overmaken en/of
- aan voornoemde slachtoffers mede te delen dat deze hun betaalpas(sen) in een enveloppe moesten stoppen en/of een code op de enveloppe moesten schrijven en/of
- te zeggen dat er een bankmedewerkster langs zou komen om voornoemde slachtoffers te helpen en/of hun pinpas(sen) op te halen en/of
- aan voornoemde slachtoffers een code te verstrekken waarmee de langskomende bankmedewerker zich zou melden en/of
- met de verkregen betaalpas(sen) en/of pincode van voornoemde slachtoffers bij een pinautomaat geld te pinnen en/of goederen te kopen en/of
- voornoemde slachtoffers om sieraden en/of contant geld te vragen om te verzekeren;
Feit 2.hij in de periode van 14 juni 2023 tot en met 7 juli 2023 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen geldbedragen die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] en of [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] en [benadeelde 8] en [benadeelde 9] en [benadeelde 10] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met de betaalpas(sen) van voornoemde slachtoffers onbevoegd geldbedragen op te nemen bij geldautomaten en/of goederen te kopen bij A-Mac en/of goederen bij een of meer winkels te kopen door deze betaalpas(sen) en vervolgens de pincode(s) in te toetsen waarna de aldus gedane betalingen telkens ten laste van voornoemde slachtoffers zijn gekomen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
feit 2:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van dertig maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij een bewezenverklaring rekening te houden met de samenloopregeling van artikel 55 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), de jonge leeftijd van de verdachte, de lange duur dat de verdachte in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis een enkelband heeft moeten dragen en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in deze zaak en dit in strafmatigende zin bij een strafoplegging te betrekken. Gelet hierop heeft de raadsman verzocht af te zien van oplegging van een gevangenisstraf die de duur van de in voorarrest doorgebrachte tijd overstijgt.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan bankhelpdeskfraude. De verdachte en zijn mededaders hebben zich in telefoongesprekken die volgens een vast script verliepen voorgedaan als een bankmedewerker. Zij hebben de veelal oudere slachtoffers bang gemaakt met de mededeling dat hun bankrekening het doelwit waren van fraudeurs, om vervolgens hulp aan te bieden door iemand langs te sturen om hun pinpassen op te halen en eventueel aanwezig contant geld en waardevolle sieraden in veiligheid te brengen. Als gevolg van dit geraffineerde en listige verhaal hebben de slachtoffers in goed vertrouwen hun pinpassen en bijbehorende pincodes afgegeven en contant geld en dierbare sieraden meegegeven. Met de aldus verkregen pinpassen en pincodes zijn vervolgens geldbedragen van de bankrekeningen van de slachtoffers opgenomen en dure aankopen gedaan. De daders hadden hierbij maar één doel voor ogen: zoveel mogelijk geld buitmaken.
De verdachte en zijn mededaders hebben op georganiseerde wijze misbruik gemaakt van het door hen gewekte vertrouwen van de bewust uitgekozen veelal oudere slachtoffers. Daarmee hebben zij niet alleen financiële schade veroorzaakt, maar ook gevoelens van angst en onzekerheid teweeggebracht. Door hun handelen hebben zij bovendien het vertrouwen geschaad dat burgers moeten kunnen stellen in banken en bankmedewerkers. De verdachte heeft geen oog gehad voor de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan.
Persoon van de verdachte
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 15 juni 2026 van de verdachte blijkt dat de verdachte reeds eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Dat de verdachte in een proeftijd liep ten tijde van het bewezenverklaarde en hem een voorwaardelijke jeugddetentie boven het hoofd hing, heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 23 juni 2026. Daaruit volgt, kort samengevat, dat er een gemiddeld risico op recidive is. Er is geen patroon ten aanzien van vermogensdelicten, maar de afgelopen periode is hij wel meerdere keren met de politie in aanraking gekomen. Zijn sociaal netwerk, de mensen met wie hij zich ophoudt en de keuzes die hij maakt lijken hierin een belangrijke rol te spelen. De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Interventies of toezicht worden niet nodig geacht. De verdachte heeft zijn leven in praktisch opzicht op orde en de verdachte staat al tweeënhalf jaar onder toezicht van de reclassering en heeft een ambulante behandeling afgerond.
Redelijke termijn
Bij het opleggen van de straf moet de rechtbank ook beoordelen of de zaak van de verdachte binnen een redelijke termijn wordt afgedaan. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 10 juli 2023. Op die dag is de verdachte in verzekering gesteld en kon hij de redelijke verwachting hebben dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. Als uitgangspunt geldt dat de rechtbank binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn een beslissing in de zaak van de verdachte moet nemen. De rechtbank doet uitspraak op 21 juli 2026. Dit betekent dat de redelijke termijn met 12 maanden is overschreden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De rechtbank zal als gevolg hiervan een lagere (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf aan de verdachte opleggen.
Samenloop
Bij de beoordeling of sprake is van eendaadse samenloop komt het vooral aan op de vraag of de bewezen verklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de overtreden strafbepalingen niet (meer dan enigszins) uiteenloopt. De oplichting en de daaropvolgende diefstal met valse sleutel betreffen afzonderlijke gedragingen. De verdachte en zijn mededaders hebben de slachtoffers eerst door misleiding tot afgifte bewogen en vervolgens met de verkregen bankpassen geld opgenomen of aankopen gedaan. Hoewel de feiten met elkaar samenhangen, leveren zij niet in wezen één verwijt op. Daarom is sprake van meerdaadse samenloop.
Straf
De ernst van de feiten rechtvaardigt in beginsel een flinke onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft voor de duur daarvan aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. De jonge leeftijd van de verdachte en de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, maken dat de rechtbank het op dit moment niet meer passend vindt om een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf van 360 dagen opleggen en bepalen dat een gedeelte daarvan, te weten: 180 dagen, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een forse taakstraf voor de duur van 360 uren passend en geboden is.

7.Beslag

Onder de verdachte zijn, volgens de beslaglijst van 8 juni 2026 en blijkens de mededeling
van de officier van justitie op de zitting, de volgende voorwerpen in beslag genomen en niet
teruggegeven:
8. 1 STK GSM (omschrijving: PL1100-2023146990-1504892, Zwart, merk: Apple);
9. 1 STK GSM (omschrijving: PL1100-2023146990-1504903, Donkerblauw Metallic, merk: Oppo);
10. 1 STK GSM (omschrijving: PL1100-2023146990-1504899, Zwart, merk: Samsung);
11. 1 STK GSM (omschrijving: PL1100-2023146990-1505108, Bruin, merk: Apple);
12. 1 STK GSM (omschrijving: PL1100-2023146990-1504888).
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven telefoons, te weten de Apple iPhone 12 (item 11) en Apple iPhone 7 (item 12) moeten worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 1 bewezen verklaarde feit is begaan met behulp van deze telefoons.
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven telefoons, te weten de Apple iPhone (item 8), de Oppo (item 9) en de Samsung (item 10), moeten worden teruggegeven aan de verdachte.

8.Vorderingen benadeelde partijen

8.1
Vordering benadeelde partij [benadeelde 10]
De benadeelde partij [benadeelde 10] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 29.500,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de bewezen verklaarde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
De gestelde materiële schade bedraagt € 26.500,- en bestaat uit de waarde van de door haar als gevolg van de oplichting afgegeven sieraden en miniaturen (ad. € 25.000,-), het door haar als gevolg van de oplichting afgegeven contante geldbedrag (ad. € 1.000,-) en het geldbedrag dat met behulp van de door oplichting verkregen bankpas en pincode van haar ING-bankrekening is opgenomen (ad. € 500,-).
De gestelde immateriële schade bedraagt € 3.000,- en wordt gevorderd wegens de psychische gevolgen die de benadeelde partij door het handelen van de verdachte zou hebben opgelopen.
8.1.1
Standpunten van partijen
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de gevorderde materiële schade op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering voor zover deze ziet op de sieraden en miniaturen, omdat deze schadepost onvoldoende is onderbouwd.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering niet is onderbouwd en dat geen sprake is van een aantasting van de persoon op andere wijze.
8.1.2
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Ten aanzien van de gestelde materiële schade van de afgegeven sieraden en miniaturen (€ 25.000,-) is de rechtbank van oordeel dat gelet op de betwisting van de hoeveelheid en waarde van de sieraden door de verdediging, het vaststellen van de exacte omvang van de gestelde schade nader onderzoek vergt. Dit vormt een onevenredige belasting van het strafgeding, zodat de benadeelde partij niet in haar vordering zal kunnen worden ontvangen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor die schade niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan de vordering bij de civiele rechter aanbrengen.
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade voor het overige (geldbedragen van € 1.000,- en € 500,-) rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten. Deze kosten zijn door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. De vordering zal in zoverre dan ook worden toegewezen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is
aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon "op andere wijze" is in ieder geval sprake indien de benadeelde
partij geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank stelt voorop dat het goed voorstelbaar is dat de benadeelde partij, mede gelet haar leeftijd, leed heeft ondervonden door de bewezen verklaarde feiten. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding moet de benadeelde partij (in beginsel) voldoende concrete en objectieve gegevens aanvoeren waaruit de gestelde psychische schade blijkt. De benadeelde partij heeft onvoldoende concrete gegevens verstrekt waaruit kan volgen dat als gevolg van het bewezenverklaarde geestelijk letsel is ontstaan of dat zij op andere wijze in de persoon is aangetast. Ook zijn de gestelde persoonlijke gevolgen onvoldoende geconcretiseerd om, in samenhang met de aard en de ernst van de normschending, een aantasting in de persoon aan te nemen. Hoewel het bewezenverklaarde als ernstig moet worden beschouwd, zijn de aard en ernst van deze normschending niet zodanig dat relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat ze zonder nadere onderbouwing kunnen worden verondersteld. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij behoudt de mogelijkheid om haar vordering voor immateriële schade bij de civiele rechter aan te brengen.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 1.500,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij
heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden
begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet.
8.2
Vordering benadeelde partij [benadeelde 12]
De benadeelde partij [benadeelde 12] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,-
ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij zou hebben geleden als
gevolg van een poging tot oplichting op 10 juli 2023, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
8.2.1
Standpunten van partijen
De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de
benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.
8.2.2
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen de
ingediende vordering en de bewezenverklaarde feiten, omdat de gevorderde schade ziet op
een feit dat de verdachte niet wordt verweten. De rechtbank zal daarom bepalen dat de
benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
8.3
Vordering benadeelde partij Rabobank
Namens de benadeelde partij Rabobank heeft B.R. de Cocq van Delwijnen een vordering tot schadevergoeding van € 17.711,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die de Rabobank als gevolg van de bewezen verklaarde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit de onderzoekskosten (ad. € 840,-) en de schadeloosstelling (ad. € 16.871,-) van de volgende personen:
  • [benadeelde 1] à € 3.268,-
  • [benadeelde 13] à € 2.798,-
  • [benadeelde 4] à € 2.359,-
  • [benadeelde 8] à € 1.000,-
  • [benadeelde 14] eo [benadeelde 9] à € 2.200,-
  • [benadeelde 3] à € 2.298,-
  • [benadeelde 10] à € 2.200,-
8.3.1
Standpunten van partijen
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 840,- aan onderzoekskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat de Rabobank een afdeling heeft speciaal voor dit soort onderzoek en daardoor geen sprake is van extra kosten.
8.3.2
Oordeel van de rechtbank
Omdat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten voor zover deze zien op [benadeelde 1] , zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering wordt verklaard, voor wat betreft het deel dat ziet op schadeloosstelling van [benadeelde 1] (€ 3.268,-) en zijn echtgenote [benadeelde 13] (€ 2.798,-).
De rechtbank zal de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, voor wat betreft het deel dat ziet op de schadeloosstelling van [benadeelde 3] (€ 2.298,-). Hoewel uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat het door de Rabobank gevorderde bedrag bestaat uit een bedrag dat door de bank is vergoed aan [benadeelde 3] is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast komen te staan dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde oplichting. Dit bedrag kan daarom niet worden toegewezen.
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade voor het overige rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten. Uit het dossier blijkt voldoende dat de Rabobank onderzoekskosten heeft gemaakt en dat de door de Rabobank gevorderde bedragen door de bank zijn vergoed aan de overige in de vordering genoemde aangevers. Dat de Rabobank een speciale afdeling voor dit soort onderzoek heeft – zoals door de raadsman naar voren gebracht – doet hieraan naar het oordeel van de rechtbank niet af. De onderzoekskosten die de Rabobank stelt te hebben gemaakt zien onder meer op het beoordelen van de aangifte van de benadeelde partijen en het besluiten of zij in aanmerking komen voor een schade-uitkering. Deze uren zouden aan iets anders zijn besteed als de afdeling dit onderzoek niet had hoeven doen. Ook zijn deze kosten redelijk. De vordering zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 9.347,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij
heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden
begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel niet op. De benadeelde partij moet in staat worden geacht zelf de incasso van de toegewezen vordering ter hand te nemen.

9.Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 3 september 2021 in de zaak met parketnummer 10/074728-21 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam de verdachte voor kort gezegd twee misdrijven uit de Wet Wapens en Munitie veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 103 dagen. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 22 september 2021 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 18 september 2021.
De officier van justitie vordert nu dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf afwijzen, omdat zij toewijzing van de vordering – gelet op het tijdsverloop, het verschil in aard met de in deze strafzaak bewezen verklaarde feiten en de hierna op te leggen straf – niet opportuun acht.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 47, 57, 63, 311 en 326 Sr.

11.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3.6 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
360 [driehonderdzestig] dagen. Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot
180 [honderdtachtig] dagen nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
360 [driehonderdzestig] uren taakstrafdie bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 180 [honderdtachtig] dagen hechtenis.
Beslag
Verklaart verbeurd:
11. 1 STK GSM (omschrijving: PL1100-2023146990-1505108, Bruin, merk: Apple);
12. 1 STK GSM (omschrijving: PL1100-2023146990-1504888).
Gelast de teruggave aan de verdachte van:
8. 1 STK GSM (omschrijving: PL1100-2023146990-1504892, Zwart, merk: Apple);
9. 1 STK GSM (omschrijving: PL1100-2023146990-1504903, Donkerblauw Metallic, merk: Oppo);
10. 1 STK GSM (omschrijving: PL1100-2023146990-1504899, Zwart, merk: Samsung).
Vordering benadeelde partij [benadeelde 10]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 1.500,-(vijftienhonderd euro) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 10] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 10] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) de medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 12]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 12] niet-ontvankelijk in de vordering.
Vordering benadeelde partij Rabobank
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
Rabobankgeleden schade tot een bedrag van
€ 9.347,-(negenduizenddriehonderdzevenenveertig euro) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan Rabobank, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Vordering tenuitvoerlegging
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam in de zaak met parketnummer 10/074728-21 opgelegde voorwaardelijke straf.
Voorlopige hechtenis
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. L.M. Nieuwenhuijs, voorzitter,
mr. M.C.J. Lommen en mr. N.M.L. Rogmans, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 juli 2026.