ECLI:NL:RBNHO:2026:9233

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
15/022808-24
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, afpersing en diefstal in vereniging

Op 14 oktober 2023 heeft de verdachte samen met anderen de aangever gelokt naar een woning in Beverwijk, waar deze tegen zijn wil werd vastgehouden, bedreigd met vuurwapens en geslagen. De aangever werd gedwongen zijn pinpas en pincode af te geven, waarna circa €5.800 werd gepind. De verdachte was aanwezig en heeft medeplegen bewezen door zijn aanwezigheid, deelname aan geweld en het ontvangen van een deel van de buit.

De rechtbank baseerde haar oordeel op onder meer telefoongegevens gekoppeld aan de verdachte, beveiligingscamera’s, en DNA-sporen op een colablikje in de woning. De verdediging voerde ontkenning en ontkrachting van medeplegen aan, maar deze werden verworpen. De verdachte had (voorwaardelijk) opzet op de feiten en was strafbaar.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 36 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. De voorlopige hechtenis werd opnieuw geschorst onder voorwaarden. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd gedeeltelijk toegewezen: €5.800 materiële schade en €10.000 immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De rest van de vordering werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of toekomstgerichte kosten.

De schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd zodat de Staat de schadevergoeding incasseert. De verdachte en medeverdachten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, het letsel en psychisch leed van het slachtoffer, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf en gedeeltelijke schadevergoeding van €15.800,- plus rente.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/022808-24 (P)
Uitspraakdatum: 23 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 juli 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] (postadres).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A. van den Driest en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij op of omstreeks 14 oktober 2023 te Beverwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die [benadeelde] naar de woning gelegen aan de [adres 2] te Beverwijk te lokken en/of (vervolgens) (eenmaal in de woning) daar tegen zijn wil vast te houden door
- een (plastic) tas over het hoofd van die [benadeelde] te trekken en/of (vervolgens)
- een of meerdere malen op het hoofd van die [benadeelde] te slaan en/of (vervolgens)
- die [benadeelde] te bedreigen met een vuurwapen door dat vuurwapen op hem te richten en/of (vervolgens)
- de trekker van dat vuurwapen over te halen en/of (vervolgens)
- die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen “dat er volgende keer wel een kogel zou kunnen komen” en/of (vervolgens)
- een of meerdere malen met de kolf van dat vuurwapen op het hoofd van die [benadeelde] te slaan en/of (vervolgens)
- die [benadeelde] een of meerdere malen tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en/of (vervolgens)
- een (karambit) mes op de vinger van die [benadeelde] te plaatsen en/of (vervolgens
- die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen “Als je niet stil bent schiet ik je neer” en/of (vervolgens)
- één patroon in een revolver te laden en/of (vervolgens)
- de trommel van die revolver rond te draaien en/of (vervolgens)
- die revolver op het hoofd van die [benadeelde] te richten en/of (vervolgens)
- een of meerdere malen de trekker van die revolver over te halen;
Feit 2
hij op of omstreeks 14 oktober 2023 te Beverwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld de pinpas toebehorende aan [benadeelde], in elk geval een goed dat aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen en/of die [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn pinpas en/of (bijbehorende) pincode, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde] en/of een derde toebehoorde(n) door
- een (plastic) tas over het hoofd van die [benadeelde] te trekken en/of (vervolgens)
- een of meerdere malen op het hoofd van die [benadeelde] te slaan en/of (vervolgens)
- die [benadeelde] te bedreigen met een revolver door die revolver op hem te richten en/of (vervolgens)
- de trekker van die revolver over te halen en/of (vervolgens)
- die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen “dat er volgende keer wel een kogel zou kunnen komen” en/of (vervolgens)
- een of meerdere malen met de kolf van die revolver op het hoofd van
die [benadeelde] te slaan en/of (vervolgens)
- die [benadeelde] een of meerdere malen tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en/of (vervolgens)
- een (karambit) mes op de vinger van die [benadeelde] te plaatsen en/of (vervolgens
- die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen “Als je niet de goede code geeft, dan snij ik je vinger eraf” en/of “Als je niet stil bent schiet ik je neer” en/of (vervolgens)
- één patroon in een revolver te laden en/of (vervolgens)
- de trommel van die revolver rond te draaien en/of (vervolgens)
- die revolver op het hoofd van die [benadeelde] te richten en/of (vervolgens)
- een of meerdere malen de trekker van die revolver over te halen;
Feit 3
hij op of omstreeks 14 oktober 2023 te Beverwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag (van (ongeveer) EUR 5.900), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel door zonder toestemming van de rechthebbende, te weten die [benadeelde], met de pinpas en pincode van die [benadeelde] een contant geldbedrag (van (ongeveer) EUR 5.900) op te nemen.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal van de aan hem ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. De verdachte ontkent dat hij tijdens de wederrechtelijke vrijheidsberoving in de woning is geweest. Voor het geval de rechtbank bewezen acht dat de verdachte gedurende de gebeurtenissen wel in de woning aan de [adres 2] in Beverwijk is geweest, heeft de raadsman subsidiair bepleit dat de verdachte geen rol heeft gehad die de kwalificatie van medeplegen rechtvaardigt.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsoverweging
Feiten en omstandigheden
Op 14 oktober 2023 had [benadeelde] (hierna: de aangever) afgesproken in een woning aan de [adres 2] in Beverwijk met iemand die zich voordeed als koper van een perceel grond in Suriname. De broer van de aangever was de makelaar in Suriname en de aangever was verantwoordelijk voor het opmaken van de koopcontracten in Nederland. De aangever werd de woning binnengelaten door iemand die zich voordeed als de zoon van de koper. Op het moment dat hij de woning binnenliep, kwamen er zes andere mannen op hem af en kreeg hij een plastic tas over zijn hoofd. Hij voelde hij dat hij van alle kanten werd geslagen. In de uren die volgden is hij door de zeven mannen vastgehouden in de woning. Daarbij is meerdere keren ‘Russisch roulette’ met hem gespeeld, waarbij een met één kogel geladen revolver op hem is gericht en de trekker is overgehaald, zonder dat de kogel in de betreffende kamer van de revolver bleek te zitten. De aangever is ook meermaals met de kolf van het vuurwapen op zijn hoofd geslagen. Vervolgens hebben de mannen een pinpas van de aangever uit zijn portemonnee gehaald en hebben zij de aangever onder dreiging van een karambit mes gedwongen tot het verstrekken van zijn pincode. Hierna zijn twee mannen de deur uit gegaan. Later is gebleken dat € 5.800,- is gepind met de pinpas van de aangever. Bij terugkomst van de twee mannen werd het geld verdeeld onder de zeven mannen die aanwezig waren in de woning. Uiteindelijk is de aangever uit de woning gevlucht, nadat hij ongeveer zeven uur lang is vastgehouden. Hij vluchtte de openbare weg op, waarna hij bij een willekeurige woning heeft aangebeld. De politie trof hem daar aan in de woonkamer van de melders liggend in een foetus houding. Hij had zichtbaar gehuild en in zijn broek geplast. De aangever had diverse verwondingen.
Betrokkenheid van de verdachte
De verdachte wordt verweten dat hij als medepleger betrokken is geweest bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving, de afpersing en de diefstal. Ter beantwoording van de vraag of dit wettig en overtuigend bewezen kan worden, gaat de rechtbank eerst in op de vraag of het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer] door de verdachte is gebruikt op 14 oktober 2023. Vervolgens gaat de rechtbank in op de rol van de verdachte en of deze rol de kwalificatie van medeplegen rechtvaardigt.
Telefoonnummer [telefoonnummer]De rechtbank acht bewezen dat de verdachte op 14 oktober 2023 de gebruiker is geweest van het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer] en betrekt hierbij de volgende feiten en omstandigheden.
Het telefoonnummer is gekoppeld aan de DigiD van de verdachte. DigiD is een digitaal paspoort en bij uitstek persoonsgebonden. Daar komt bij dat het telefoonnummer het meest verbinding maakt met een zendmast die dicht gelegen is bij het adres van de moeder van de verdachte. Op 14 oktober 2023 en kort na middernacht op15 oktober 2023 zijn er op dit nummer inkomende en uitgaande gesprekken met de broer en de vriendin van de verdachte. De verdachte heeft ook bekend dat hij het telefoonnummer in gebruik heeft gehad.
De verdachte heeft verklaard dat hij op 14 oktober 2023 niet de gebruiker is geweest van het telefoonnummer op 14 oktober 2023. Hij heeft de betreffende telefoon regelmatig uitgeleend. Het telefoonnummer zou bij een zogenaamde ‘dealertelefoon’ horen die door hemzelf en anderen werd gebruikt bij het dealen van drugs. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk. De verdachte heeft op geen enkel moment kunnen specificeren wie de telefoon dan zou hebben gebruikt op de bewuste dag. Het dossier biedt verder ook geen steun voor de verklaring van de verdachte dat hij de telefoon met het desbetreffende nummer heeft uitgeleend op 14 oktober 2023. Het dossier bevat – zoals hierboven vastgesteld – daarentegen wel aanknopingspunten voor de conclusie dat de verdachte op die dag de gebruiker was van het telefoonnummer. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de verdachte ononderbroken de gebruiker is geweest van het telefoonnummer.
Dit telefoonnummer straalt op 14 oktober 2023 vanaf 16:56 uur aan op een zendmast in Beverwijk, 283 meter van de woning waar het delict heeft plaatsgevonden. Het telefoonnummer straalt een aantal keren die avond aan op dezelfde zendmast in Beverwijk. Nadat er wordt gepind met de pinpas van de aangever, heeft dit telefoonnummer contact met medeverdachte [medeverdachte].
Beveiligingscamera’s en DNA
Op de beveiligingscamera’s is te zien dat een Opel Corsa om 16:00 uur arriveert op de [adres 2] in Beverwijk. De bijrijder wordt door een politieambtenaar herkend als medeverdachte [medeverdachte]. De bestuurder van de auto vertoont volgens de verbalisant een zeer sterke gelijkenis met de rijbewijsfoto van de verdachte. Voor de vraag of de verdachte op 14 oktober 2023 in de betreffende woning aan de [adres 2] in Beverwijk is geweest, is daarnaast het volgende van belang.
Van de drinkrand van colablikje 5 dat in de woning is aangetroffen werd een bemonstering genomen (AARA5403NL). Uit deze bemonstering is een DNA-profiel verkregen van (minimaal) één persoon, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Het DNA-profiel van de verdachte komt overeen met dit DNA-profiel. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat de verdachte donor is van het celmateriaal op de drinkrand van colablikje.
Conclusie
De bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, maken dat de rechtbank vaststelt dat de verdachte op 14 oktober 2023 in de woning aan de [adres 2] in Beverwijk is geweest. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het colablikje met het DNA van de verdachte mogelijk eerder dan 14 oktober 2023 in de woning terecht is gekomen. Hij heeft hierbij de suggestie gewekt dat de verdachte mogelijk op een eerdere datum in of bij die woning is geweest om drugs af te leveren, bij welke gelegenheid de verdachte mogelijk cola heeft gedronken of waarbij de bewoner van die woning een leeg blikje waaruit de verdachte had gedronken naar zijn woning heeft meegenomen. De verdediging heeft deze aannames op geen enkele manier concreet gemaakt. De verdachte heeft niet gesteld dat hij eerder in of bij de woning is geweest waarbij hij cola heeft gedronken. Ook heeft hij niet concreet aangegeven op welke datum hij in of bij die woning zou zijn geweest, wat voor soort drugs hij daar zou hebben afgeleverd en wie de afnemer zou zijn geweest. Ook overigens biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt voor de aanname dat de verdachte op een eerder moment in of bij de woning aan de [adres 2] in Beverwijk is geweest. De rechtbank acht de verklaring van de raadsman op dit punt daarom onaannemelijk.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte een van de mannen in de woning aan de [adres 2] is geweest. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt van de ten laste gelegde feiten.
Medeplegen – juridisch kader
Voor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de afweging hiervan, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.
Medeplegen – de rol van de verdachte
Dat sprake moet zijn geweest van een vooropgezet plan om de aangever voor langere tijd vast te houden, te bedreigen en te mishandelen om op die manier een aanzienlijk geldbedrag in handen te krijgen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het volgende. Er is een woning geregeld en de aangever is daar naartoe gelokt. De groep mannen stond hem in de woning op te wachten en iedereen, inclusief de verdachte, droeg een bivakmuts, handschoenen en een jasje waarvan de mouwen waren dicht gestikt. Daar komt bij dat de mannen ook kennis hadden over de achtergrond en de familie van de aangever, gelet op wat zij daarover in de woning naar de aangever hebben geroepen. Voorts zijn door de aanwezigen vuurwapens en een mes meegenomen.
Verder volgt uit de verklaring van de aangever dat hij door de hele groep mannen, dus ook door de verdachte, is geslagen. Daarnaast heeft elk van de mannen, dus ook de verdachte, een deel van de buit ontvangen.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte samen met de medeverdachten – door hun aantal, de dreigementen en de geweldshandelingen – vanaf het begin een zeer bedreigende en intimiderende situatie heeft gecreëerd voor de aangever. De verdachte heeft zich hiervan niet gedistantieerd, terwijl de situatie uren heeft voortgeduurd. Daar komt bij dat de verdachte gedurende de vrijheidsberoving ook feitelijke handelingen heeft verricht, waaronder in elk geval het slaan van de aangever. De rechtbank is van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. De rollen van de verdachten waren uitwisselbaar en niet aan elkaar ondergeschikt. De bijdrage van de verdachte aan het geheel van de ten laste gelegde gedragingen is daarbij van zodanig gewicht dat zijn rol als medeplegen kan worden aangemerkt.
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat bij de verdachte sprake was van opzet op het benemen van de vrijheid van de aangever, de afpersing en de diefstal. Het kan voor de verdachte daarbij geen verrassing zijn geweest dat er wapens zouden worden gebruikt. Bij een dergelijk vooropgezet plan is de kans immers aanmerkelijk dat er geweld en wapens nodig zijn om het plan te voltooien. Bovendien heeft de verdachte zich, na het eerste gebruik van het vuurwapen, niet aan de ontstane situatie onttrokken. De rechtbank vindt dan ook dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet op zowel het medeplegen als op de ten laste gelegde feiten.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1
hij op 14 oktober 2023 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [benadeelde] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [benadeelde] naar de woning gelegen aan de [adres 2] te Beverwijk te lokken en daar tegen zijn wil vast te houden door
- een plastic tas over het hoofd van die [benadeelde] te trekken en
- meerdere malen op het hoofd van die [benadeelde] te slaan en
- die [benadeelde] te bedreigen met een vuurwapen door dat vuurwapen op hem te richten en
- de trekker van dat vuurwapen over te halen en
- die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen “dat er volgende keer wel een kogel zou kunnen komen” en
- meerdere malen met de kolf van dat vuurwapen op het hoofd van die [benadeelde] te slaan en
- die [benadeelde] meerdere malen tegen het lichaam te slaan en
- een karambit mes op de vinger van die [benadeelde] te plaatsen en
- die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen “Als je niet stil bent schiet ik je neer” en
- één patroon in een revolver te laden en
- de trommel van die revolver rond te draaien en
- die revolver op het hoofd van die [benadeelde] te richten en
- meerdere malen de trekker van die revolver over te halen.
Feit 2
hij op 14 oktober 2023 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld de pinpas toebehorende aan [benadeelde], heeft weggenomen en die [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn bijbehorende pincode, door
- een plastic tas over het hoofd van die [benadeelde] te trekken en
- meerdere malen op het hoofd van die [benadeelde] te slaan en
- die [benadeelde] te bedreigen met een revolver door die revolver op hem te richten en
- de trekker van die revolver over te halen en
- die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen “dat er volgende keer wel een kogel zou kunnen komen” en
- meerdere malen met de kolf van die revolver op het hoofd van die [benadeelde] te slaan en
- die [benadeelde] meerdere malen tegen het lichaam te slaan en
- een karambit mes op de vinger van die [benadeelde] te plaatsen en
- die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen “Als je niet de goede code geeft, dan snij ik je vinger eraf” en “Als je niet stil bent schiet ik je neer” en
- één patroon in een revolver te laden en
- de trommel van die revolver rond te draaien en
- die revolver op het hoofd van die [benadeelde] te richten en
- meerdere malen de trekker van die revolver over te halen.
Feit 3
hij op 14 oktober 2023 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag van EUR 5.800, dat aan [benadeelde] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel door zonder toestemming van de rechthebbende, te weten die [benadeelde], met de pinpas en pincode van die [benadeelde] een contant geldbedrag van EUR 5.800 op te nemen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden
Feit 2
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen
Feit 3
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels
Met betrekking tot de kwalificatie van feit 2 overweegt de rechtbank dat bij de wijziging van de tenlastelegging aan de onder dat feit verweten gedraging is toegevoegd dat de verdachte
“door geweld en/of bedreiging met geweld de pinpas toebehorende aan [benadeelde], in elk geval een goed dat aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen”. Daarbij lijkt de opsteller van de tenlastelegging mede het oog te hebben gehad op de strafbare feiten van de artikelen 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In de tenlastelegging zijn echter niet de bestanddelen van die artikelen opgenomen dat de wegnemingshandeling is gepleegd
“met het oogmerk om het [goed] zich wederrechtelijk toe te eigenen”(art. 310 Sr Pro) en dat de geweldshandelingen zijn gepleegd
“met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren”. Gelet hierop kan de rechtbank het onder 2 bewezen verklaarde feit niet kwalificeren naar de artikelen 310 en 312 Sr maar enkel op basis van artikel 317 Sr Pro.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestig maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest overstijgt.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft samen met anderen de aangever van zijn vrijheid beroofd in een woning. De verdachte en zijn mededaders hebben vuurwapens op de aangever gericht waarbij meermalen de trekker werd overgehaald. Daarnaast hebben ze de aangever bedreigd en geslagen, waardoor de aangever letsel heeft opgelopen. De aangever is verder beroofd van zijn geld, waaronder ook het spaargeld van zijn jonge dochter. De aangever heeft in de woning zodanige doodsangsten uitgestaan, dat hij in zijn broek heeft geplast. Het is algemeen bekend dat dit soort feiten tot langdurig psychisch leed bij een slachtoffer kunnen leiden. Dat de gevolgen van de feiten nog steeds groot zijn, blijkt onder andere uit het op de zitting door de advocaat van de aangever uitgeoefende spreekrecht en de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding. De aangever ervaart sinds de feiten onder meer slaapklachten, herbelevingen en is sensitief voor geluiden. Verder kampt de aangever met suïcidale gedachten.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 april 2026. Daaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
De rechtbank heeft daarnaast gelet op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 29 juni 2026. Hieruit volgt dat de reclassering schulden, een negatief sociaal netwerk en onvoldoende stabiliteit op het gebied van werk en huisvesting als risicofactoren ziet voor delictgedrag. De reclassering rapporteert verder dat de verdachte zich gedurende de schorsing goed heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden en zich gemotiveerd heeft getoond voor hulpverlening.
De op te leggen straf
Gezien de ernst van de feiten komt geen andere straf in aanmerking dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij heeft de rechtbank, naast wat hiervoor is overwogen, ook gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank heeft daarbij aangesloten bij de oriëntatiepunten voor een woningoverval. De rechtbank houdt voorts rekening met het tijdsverloop in deze zaak.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van 36 maanden moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv).
De voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 27 februari 2026 geschorst tot aan de einduitspraak in eerste aanleg. De verdediging heeft primair verzocht het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de voorlopige hechtenis opnieuw te schorsen. De officier van justitie heeft zich tegen beide verzoeken verzet.
Bij dit vonnis doet de rechtbank einduitspraak in eerste aanleg, waardoor de schorsing van de voorlopige hechtenis ten einde komt. Gelet op het primaire verzoek van de verdediging om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen moet de rechtbank allereerst beoordelen of de ernstige bezwaren en de gronden, als bedoeld in de artikelen 67 en 67a Sv die aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag zijn gelegd, ook op dit moment nog bestaan.
De rechtbank stelt vast dat de ernstige bezwaren dat de verdachte de misdrijven waarvan hij wordt verdacht, heeft begaan nog onverkort aanwezig zijn. De rechtbank komt in dit vonnis immers tot een bewezenverklaring van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten.
Aan de voorlopige hechtenis ligt de 12-jaarsgrond en geschokte rechtsorde en het gevaar voor herhaling ten grondslag. In dit geval is sprake van een behoorlijk tijdsverloop, namelijk ruim twee jaar en negen maanden, sinds het plegen van de feiten. Weliswaar is tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak schrijvende pers aanwezig geweest maar naar het oordeel van de rechtbank kan niet zonder meer gesteld worden dat het tot ernstig maatschappelijk onbehagen zal leiden als de verdachte in de gelegenheid gesteld zal worden om de tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf, dan wel om een eventueel tegen dit vonnis in te stellen hoger beroep in vrijheid af te wachten. Bij dat oordeel heeft de rechtbank mede gelet op de relatief jeugdige leeftijd van de verdachte en de omstandigheid dat hij reeds 317 dagen gedetineerd is geweest. Dit betekent dat niet langer gesteld kan worden dat de rechtsorde ernstig door de bewezen verklaarde feiten is geschokt waardoor die grond niet langer dragend kan zijn voor de voorlopige hechtenis.
Blijkens het advies van 29 juni 2026 kan de reclassering het risico op recidive niet inschatten. Ondanks enkele beschermende factoren benoemt de reclassering ook enkel risicofactoren voor delictgedrag en wordt er voldoende aanleiding gezien om te adviseren het reclasseringstoezicht voort te zetten. Mede gelet op de omstandigheid dat de verdachte eerder (onherroepelijk) is veroordeeld voor een geweldsfeit dat hij na de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd, acht de rechtbank de recidivegrond nog onverkort aanwezig. Het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis wordt daarom afgewezen.
Aangaande het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis moet de rechtbank op grond van de actuele situatie beoordelen of het persoonlijk belang van de verdachte bij voortzetting van de schorsing van de voorlopige hechtenis zwaarder weegt dan het strafvorderlijk belang van de herleving van de voorlopige hechtenis. Bij die belangenafweging staat voorop dat de voorlopige hechtenis als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast. In dit geval geldt dat aan de voorlopige hechtenis enkel nog het gevaar voor herhaling ten grondslag ligt.
De rechtbank overweegt dat de voorlopige hechtenis van de verdachte inmiddels bijna vijf maanden geschorst is geweest. Gedurende die periode heeft de verdachte onder toezicht van de reclassering gestaan en moest hij zich aan bijzondere voorwaarden houden. De reclassering heeft gemeld dat de verdachte zich goed aan de afspraken houdt, dat hij motivatie laat zien voor hulpverlening, dat hij positieve levensdoelen heeft en dat hij er graag wil zijn voor zijn moeder en kind. Er hebben geen incidenten plaatsgevonden die erop wijzen dat de verdachte zich gedurende de schorsing strafbare feiten heeft gepleegd of zich anderszins niet aan de opgelegde voorwaarden heeft gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er dan ook geen reden om niet opnieuw over te gaan tot een schorsing van de voorlopige hechtenis. De persoonlijke belangen van de verdachte om de tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf, dan wel om een eventueel tegen dit vonnis in te stellen hoger beroep in vrijheid af te wachten wegen zwaarder dan het strafvorderlijk belang van herleving van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank zal de voorlopige hechtenis van de verdachte daarom opnieuw schorsen, onder de voorwaarden die in het rapport van 29 juni 2026 door de reclassering zijn geadviseerd. Het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis is in een aparte beslissing geminuteerd.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De vordering
Namens [benadeelde] is door mr. I.D. Degenaar-Kuijpers, advocaat te Haarlem, een vordering tot schadevergoeding van € 44.685,04 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade en immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
De gevorderde materiële schade bestaat uit:
  • gepinde gelden door de verdachten ter hoogte van € 5.800,-
  • aanschaf beveiligingssystemen ter hoogte van € 1.296,-
  • kosten Securitas ter hoogte van € 234,04
  • kosten Remeon (abonnement) ter hoogte van € 3.300,-
  • toekomstige kosten Remeon ter hoogte van € 2.805,-
Daarnaast heeft de benadeelde partij vergoeding van immateriële schade gevorderd ter hoogte van € 31.250,-.
De standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, behoudens de toekomstige kosten, kan worden toegewezen omdat deze schade rechtstreeks verband houdt met de ten laste gelegde feiten. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente. Verder moet aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd en moeten de verdachte en zijn medeverdachten hoofdelijk worden veroordeeld.
De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert. De benadeelde partij moet daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens een gebrek aan onderbouwing van het geestelijk letsel. Verder heeft de raadsman verzocht de gevorderde materiële schade te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de kosten van de gepinde gelden rechtstreeks voortvloeien uit de bewezen verklaarde feiten en dat deze kosten ook voldoende zijn onderbouwd. Dit gedeelte van de vordering zal dan ook worden toegewezen.
Met betrekking tot de kosten die zijn gemaakt voor de aanschaf en maandelijkse abonnementen van beveiligingscamera’s is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. Hoewel het begrijpelijk is dat de benadeelde partij beveiligingscamera’s heeft gekocht voor zijn veiligheidsgevoel, gaat het om kosten van beveiliging in verband met mogelijke toekomstige gebeurtenissen. Dergelijke kosten kunnen in het algemeen niet worden aangemerkt als schade die rechtstreeks verband houden met het strafbare feit.
Immateriële schade
De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade is gebaseerd op artikel 6:106, aanhef en onder sub b, Burgerlijk Wetboek. Vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel is onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen.​
In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen door de gepleegde strafbare feiten. Gelet hierop bestaat er een grondslag voor een vergoeding van immateriële schade, begroot naar billijkheid. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de Rotterdamse schaal [1] en in het bijzonder op paragraaf 19.1, categorie A ten aanzien van het geestelijk letsel en paragraaf 13, categorie B ten aanzien van het fysieke letsel. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 10.000,-. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] zal dus gedeeltelijk worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 15.800,-, bestaande uit € 5.800,- materiële schade en € 10.000,- immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2023 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De vordering wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De verdachte wordt veroordeeld in de kosten die door of namens de benadeelde partij [benadeelde] zijn gemaakt (tot op heden begroot op nihil) en die ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog zijn te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (in juridische termen: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 47, 55, 57, 63, 282, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
36 [zesendertig] maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[benadeelde]geleden schade tot een bedrag van
€ 15.800,-bestaande uit € 5.800,- als vergoeding voor de materiële en € 10.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.800,- en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Indien betaling niet of niet volledig wordt voldaan, kan gijzeling worden toegepast met een maximum duur van 104 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Beveelt de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.D. Kleijne, voorzitter,
mr. A.M.C. de Haan en mr. E.L. Hoogstraate, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.J. van der Velden,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 juli 2026.

Voetnoten

1.Deze schaal is een voor de rechterlijke macht ontwikkeld hulpmiddel dat een overzicht biedt van in de praktijk toegewezen smartengeldbedragen in vergelijkbare gevallen. Het doel van de Rotterdamse schaal is bij te dragen aan rechtsgelijkheid en consistentie in de toekenning van immateriële schadevergoedingen.