ECLI:NL:RBNHO:2026:9243

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
HAA 25/3631
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 22.26 Omgevingsplan gemeente HaarlemArt. 22.29 Omgevingsplan gemeente HaarlemArt. 20.2.1 Bestemmingsplan Overdie, Omval en bedrijventerrein Oudorp
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning intern verbouwen begane grond wegens parkeernormen niet onrechtmatig

Eiser diende een aanvraag in voor een omgevingsvergunning om de begane grond van een pand in Alkmaar intern te verbouwen tot een extra woning. Het college weigerde de vergunning op grond van strijd met het bestemmingsplan en onvoldoende parkeergelegenheid volgens de parkeernormennota.

De rechtbank constateerde dat het college het motiveringsgebrek over de parkeernorm aanvankelijk niet deugdelijk had onderbouwd, maar dit gebrek werd hersteld door een nieuw parkeeradvies in het verweerschrift. De rechtbank volgde de berekening van een parkeerbehoefte van twee plaatsen en oordeelde dat salderen niet mogelijk was.

Eiser stelde dat het college het gelijkheidsbeginsel had geschonden door vergelijkbare gevallen anders te behandelen, maar de rechtbank vond dat de situaties niet vergelijkbaar waren vanwege het verschil in kamerverhuur. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan.

Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor het college de weigering van de vergunning handhaafde. Wel werd het griffierecht aan eiser vergoed vanwege het aanvankelijke motiveringsgebrek.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het college handhaaft het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3631

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Oudorp, eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar

(gemachtigde: R. Cremers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het afwijzen door het college van de aanvraag van eiser voor een omgevingsvergunning voor het intern verbouwen van de begane grond van een bestaand pand om een extra woning te creëren voor de locatie [adres 1] in Alkmaar. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het weigeren van de omgevingsvergunning op grond van de parkeernormennota niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank passeert dit gebrek naar aanleiding van de motivering in het verweerschrift. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat het college het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel niet heeft geschonden. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het intern verbouwen van de begane grond van een bestaand pand om een extra woning te creëren voor de locatie [adres 1] in Alkmaar. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Eiser is eigenaar van het perceel [adres 1] in Alkmaar. Dit perceel valt onder het Omgevingsplan ‘gemeente Alkmaar’ (het omgevingsplan) en onder het bestemmingsplan ‘Overdie, Omval en bedrijventerrein Oudorp’ (het bestemmingsplan). Dit bestemmingsplan is onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. [adres 1] heeft op grond van het bestemmingsplan de bestemming ‘Wonen’ met de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - 2'. Eiser heeft een aanvraag gedaan om de eerste bouwlaag intern te verbouwen tot een woning.
3.1.
Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd omdat het beoogde gebruik, kamerverhuur, in strijd is met artikel 20.5.4 van het bestemmingsplan. Daarnaast is de aanvraag ook in strijd met artikel 20.2.1, onder b, van het bestemmingsplan, omdat het aantal woningen meer zou gaan bedragen dan het bestaande aantal. Het college heeft daarom getoetst of de vergunning verleend kan worden met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het Afwijkingenbeleid bevat geen criteria voor het realiseren van een woonfunctie voor kamerverhuur. Daarom is advies gevraagd aan de vakgroepen Ruimtelijke vormgeving, Ruimtelijk plannen en Verkeer. Omdat uit advies van de afdeling verkeer volgt dat niet wordt voldaan aan artikel 4.1 van het Parapluplan parkeren 2018 (het parapluplan), heeft het college besloten de omgevingsvergunning niet te verlenen.
Omvang van het geding
4. Ter zitting is gebleken dat gedurende de aanvraagprocedure eiser het beoogde gebruik heeft willen wijzigen van kamerverhuur naar een studio. Daar heeft hij de tekeningen ook op aangepast. De rechtbank stelt echter vast dat dit niet tot een formele aanpassing van de aanvraag heeft geleid. De rechtbank laat deze aanpassing daarom buiten beschouwing en beperkt zich tot een beoordeling van de aanvraag die formeel voorligt, namelijk de aanvraag met kamerverhuur als beoogde functie. Het college heeft ter zitting aangegeven dat eiser voor wat betreft de beoogde aanpassingen in overleg kan treden met de gemeente.
Heeft het college het weigeren van de omgevingsvergunning op grond van de Parkeernormennota Alkmaar 2020 - 2027 (de Parkeernormennota) deugdelijk gemotiveerd?
5. Eiser voert aan dat het college de Parkeernormennota Alkmaar 2020 - 2027 (de Parkeernormennota) verkeerd heeft toegepast. De parkeernorm voor de functie Woning groot (>125 BVO) betrof in de oude situatie afgerond twee parkeerplaatsen. Het college is er onterecht vanuit gegaan dat de parkeervraag in de huidige situatie maar één parkeerplaats bedraagt. Eiser voert daarnaast aan dat voor [straat] eigenlijk helemaal geen parkeereis geldt, omdat het een beschermd karakter heeft en dus behoort tot de oude dorpskernen. Miniplannen, dat wil zeggen plannen met een parkeerbehoefte van minder dan twee parkeerplaatsen, zijn vrijgesteld van de parkeereis in het centrum, Overstad, de Spoorbuurt en de oude dorpskernen. Het al dan niet toenemen van de parkeervraag in de beoogde situatie is dan ook niet juist beoordeeld.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat aan het bestreden besluit op dit punt geen deugdelijke motivering ten grondslag heeft gelegen. Het college heeft dit ook erkend. Daarmee is gegeven dat de beroepsgrond slaagt. Met het verweerschrift heeft het college een nieuw parkeeradvies overgelegd dat het aan zijn motivering ten grondslag legt. Het is dan de vraag of dit gebrek met de motivering in het verweerschrift is hersteld.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het motiveringsgebrek met de motivering in het verweerschrift is hersteld. Uit het nieuwe parkeeradvies volgt een parkeerbehoefte van twee parkeerplaatsen voor het bouwplan van eiser. Het bouwplan verzoekt de functie ‘werken’ te wijzigen in de functie ‘wonen’. Het adres [adres 1] is gereguleerd parkeren en wordt daarom tot het schilgebied gerekend. De parkeernorm voor kamerverhuur (‘serviceflat, aanleunwoning kamer voor niet-zelfstandigen, studentenkamer’) is in het schilgebied 0,6 parkeerplaatsen per kamer. Er worden volgens de aanvraag twee slaapkamers gerealiseerd en dus is de parkeerbehoefte 1,2 parkeerplaatsen. Dit wordt afgerond naar boven. Het resultaat is dan dat er een parkeerbehoefte is van 2 parkeerplaatsen op het maatgevend moment (werkdagavond, koopavond, werkdagnacht en in het weekend). Deze berekening kan de rechtbank volgen. Daarnaast volgt uit het advies dat salderen niet mogelijk is en dat de parkeerbehoefte niet kan worden opgelost in de openbare ruimte, omdat de parkeerdruk al 90% is. Ter zitting is gebleken dat het pand op het moment van de aanvraag leegstond. In de feitelijke actuele situatie heeft het pand dus geen parkeerbehoefte. In de aangevraagde situatie zou er een parkeerbehoefte zijn van twee parkeerplaatsen. De rechtbank kan daarom volgen dat salderen geen optie is. Voor zover eiser stelt dat sprake is van een miniplan en dat zijn aanvraag dus is vrijgesteld van de parkeereis, kan de rechtbank dit niet volgen. Ter zitting is gebleken dat [adres 1] niet is gelegen binnen de buurten waarvoor deze bepaling geldt. Gelet op het voorgaande passeert de rechtbank het gebrek onder toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.
Heeft het college het gelijkheidsbeginsel geschonden?
6. Eiser voert aan dat het college voor het adres [adres 2] in 2021 een vrijwel identieke aanvraag wel heeft verleend, omdat er geen sprake was van strijd met het bestemmingsplan. Verder is op 12 juli 2024 een splitsingsakte gedeponeerd voor [straat] [nummer 1] en [nummer 2] . Daar heeft dus ook een omzetting naar wonen of een woningsplitsing plaatsgevonden. Dat op de aanvraag van eiser anders is besloten, is daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het weigeren van de omgevingsvergunning niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Ter zitting is gebleken dat in de gevallen die eiser heeft aangevoerd geen sprake is van kamerverhuur. Er is dus geen sprake van gelijke gevallen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college het vertrouwensbeginsel geschonden?
7. Eiser voert aan dat het college op meerdere momenten toezeggingen en uitlatingen heeft gedaan die het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat de omgevingsvergunning zou worden verleend, als aan de gestelde voorwaarden werd voldaan. Zo is in eerste instantie aangegeven dat de parkeerbehoefte zou kunnen worden afgekocht met een storting in het parkeerfonds. Daar is op een later moment op teruggekomen en excuses voor gemaakt. Later is aangegeven dat in de nabije omgeving een parkeerplaats zou kunnen worden gehuurd, maar uiteindelijk wordt vastgehouden aan het standpunt dat de vergunning alleen verleend kan worden, als een parkeerplaats op eigen terrein wordt gerealiseerd. Dit is gezien de oppervlakte van de studio niet haalbaar. Daarnaast heeft het college er in 2024 op aangestuurd dat eiser zijn aanvraag zou intrekken en een andersoortige aanvraag zou doen waarmee het beoogde gebruik vergunningsvrij zou kunnen worden toegezegd. Eiser heeft het college toen verzocht eerst een besluit te nemen op de lopende aanvraag, zodat de mogelijkheid van bezwaar zou bestaan als het college zijn woord niet zou nakomen. Het college is inderdaad zijn woord niet nagekomen en dat is strijdig met het vertrouwensbeginsel. Het college heeft expliciet bevestigd dat het eindresultaat positief zou zijn, als aan de gestelde voorwaarden zou worden voldaan.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college het vertrouwensbeginsel niet heeft geschonden. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel geldt als maatstaf dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. [1] De rechtbank volgt het college in het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van dergelijke toezeggingen. Uit de verwijzingen van eiser naar gesprekken blijkt niet dat concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het weigeren van de omgevingsvergunning in stand blijft. Het college moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden, omdat het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd. Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M. Duijkersloot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Omgevingswet
artikel 5.1, eerste lid, onder a
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit;
Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 8.0a, eerste lid
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
Het omgevingsplan gemeente Haarlem
Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4;
b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
1. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:
a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of
b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
Het bestemmingsplan ‘Overdie, Omval en bedrijventerrein Oudorp’
Artikel 20.2.1 Hoofgebouwen, aanhef en onder b
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
het aantal woningen bedraagt niet meer dan het bestaande aantal;
Artikel 20.5.4 Strijdig gebruik, aanhef en onder a
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:
a. kamerverhuur;
Het Parapluplan Parkeren 2018
Artikel 4.1 Voldoende parkeergelegenheid
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van de functie dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Dit dient plaats te vinden op eigen terrein dat bij dat bouwwerk of terrein waarvoor vergunning wordt verleend hoort. Daarbij moet worden voldaan aan het geldende parkeernormen beleid. Indien het beleid wijzigt dient rekening te worden gehouden met de wijzigingen. Bij de afmetingen van de parkeervoorzieningen dient te worden uitgegaan van de geldende CROW normen.
Artikel 4.3.1 Bevoegdheid, aanhef en onder a
Bij een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van de functie kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.1 en 4.2:
a. voor zover op andere geschikte wijze in de benodigde parkeergelegenheid en/of laad- en losruimte wordt voorzien;

Voetnoten

1.De uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.