ECLI:NL:RBNHO:2026:9244

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
HAA 25/3850
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 10:3 AwbArt. 7:11 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onvoldoende motivering noodzakelijkheid machtiging tot binnentreden woonboot

Eiseres woont op een woonboot in Hoorn en betwist de machtiging tot binnentreden die de burgemeester heeft afgegeven om toezicht te houden op het wonen op de woonboot en de aanwezigheid van een houtkachel. De burgemeester had een gedoogverklaring afgegeven voor het wonen op de woonboot, maar gaf toch een machtiging tot binnentreden af om te controleren of de woonboot werd bewoond en of de houtkachel aanwezig en veilig was.

De rechtbank oordeelt dat de burgemeester de noodzakelijkheid van het binnentreden onvoldoende heeft gemotiveerd. Ten aanzien van het wonen op de woonboot was het binnentreden niet noodzakelijk omdat de gedoogverklaring al bevestigde dat eiseres daar woonde en er geen aanwijzingen waren dat de situatie was veranderd. Ook voor de controle op de houtkachel was het binnentreden niet deugdelijk gemotiveerd, omdat er geen aanwijzingen waren dat de situatie was veranderd en de controle niet voldeed aan de vereisten van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

De rechtbank constateert een mandaatgebrek bij het bestreden besluit, maar dit is hersteld door bekrachtiging. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het bekrachtigingsbesluit, herroept het primaire besluit en bepaalt dat de machtiging tot binnentreden niet in stand blijft. Daarnaast veroordeelt zij de burgemeester tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de machtiging tot binnentreden wegens onvoldoende motivering van de noodzakelijkheid en bepaalt dat deze niet in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3850

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit Hoorn, eiseres

(gemachtigde: mr. R.H. de Kamper),
en

de burgemeester van de gemeente Hoorn

(gemachtigde: mr. C.C.M. Gorter-Haring).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een machtiging tot binnentreding voor de woonboot van eiseres. Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester de noodzakelijkheid van de machtiging onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 13 juni 2025 heeft de burgemeester een machtiging tot binnentreding afgegeven voor de woonboot van eiseres. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres heeft de burgemeester de machtiging tot binnentreding in stand gelaten.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de burgemeester bijgestaan door [naam] .

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit en de vaststaande feiten
3. Eiseres woont op een woonboot, [naam woonboot] , ter hoogte van de [adres] in Hoorn. Eiseres heeft op 1 april 2016 een ligplaatsvergunning gekregen. Op 27 januari 2025 hebben omwonenden een handhavingsverzoek ingediend voor de door hen ervaren stank- en rookoverlast van de houtkachel op de woonboot. Naar aanleiding daarvan heeft het college van burgemeester en wethouders een gedoogverklaring afgegeven. Deze verklaring houdt in dat in afwijking van het omgevingsplan zal worden gedoogd dat eiseres op de woonboot blijft wonen onder voorwaarde dat de houtkachel wordt verwijderd of duurzaam onklaar wordt gemaakt.
3.1.
De burgemeester heeft een machtiging tot binnentreding afgegeven voor toezicht op de naleving van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet en hoofdstuk 3, 5 en 6 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het doel van het binnentreden was om te controleren of de woonboot wordt bewoond en of de houtkachel aanwezig is en veilig is. De machtiging is op de dag van afgifte gebruikt.
Mandaatgebrek
4. De rechtbank heeft ambtshalve vastgesteld dat het primaire besluit van 13 juni 2025 door de burgemeester zelf is genomen en dat het bestreden besluit van 6 augustus 2025 door een gemeentelijke functionaris in mandaat namens de burgemeester is genomen. In artikel 10:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een bestuursorgaan mandaat kan verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] volgt dat de wijze waarop het bestreden besluit is genomen, zich niet verdraagt met de heroverweging die wordt voorgeschreven in artikel 7:11 van Pro de Awb. Deze heroverweging mag zich niet beperken tot de rechtmatigheid van het primaire besluit, maar dient zich binnen de grenzen van de wet ook uit te strekken tot kwesties van beleid. Aldus wordt een zekere controle uitgeoefend op degene die het primaire besluit heeft genomen en op het daarbij gevoerde beleid. Dit komt niet tot zijn recht als een ambtenaar in mandaat beslist op een bezwaar tegen een door het bestuursorgaan zelf genomen besluit.
4.1.
De burgemeester heeft op 19 mei 2026 het bestreden besluit persoonlijk bekrachtigd en daarmee is het constateerde gebrek hersteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit gebrek valt te passeren onder toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Het passeren van een gebrek is mogelijk als aannemelijk is dat de belanghebbende door het gebrek in het bestreden besluit niet is benadeeld. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiseres niet is benadeeld door het gebrek, aangezien eiseres daarover geen beroepsgrond heeft aangevoerd.
De bevoegdheid van de burgemeester
5. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi) voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging is vereist. Artikel 3, tweede lid, van de Awbi bepaalt dat de burgemeester bevoegd is tot het geven van een machtiging tot binnentreden in een woning gelegen binnen zijn gemeente voor andere doeleinden dan strafvordering, voor zover de wet niet anders bepaalt. Artikel 3, derde lid, van de Awbi bepaalt verder dat degene die bevoegd is een machtiging te geven daartoe slechts overgaat, indien het doel, waartoe wordt binnengetreden, het binnentreden zonder toestemming van de bewoner redelijkerwijs vereist.
5.1.
Uit het besluit van 13 juni 2025 blijkt dat er twee doelen waren bij het binnentreden in de woning van eiseres, controle op het verbod om zonder omgevingsvergunning op de woonboot te wonen en controle op de regels die op grond van het Bbl gelden voor de houtkachel. Het is dan de vraag of de burgemeester de noodzakelijkheid en de evenredigheid van het binnentreden met het oog op deze doelen deugdelijk heeft gemotiveerd.
Heeft de burgemeester de noodzaak deugdelijk gemotiveerd ten aanzien van het toezicht op het wonen op de woonboot?
6. Eiseres betwist de noodzaak van het binnentreden. Eiseres voert aan dat zij altijd heeft erkend dat zij woont op de woonboot. Het was dan ook niet noodzakelijk om in de woning binnen te treden om dit vast te stellen. Daarbij betreft het de tweede machtiging tot binnentreden. Deze tweede controle heeft niets toegevoegd ten aanzien van de eerste controle. Het is eiseres onduidelijk waarom het nodig was om een tweede keer vast te stellen dat eiseres woont op de woonboot. Eiseres betoogt ook dat, op grond van de Wet verduidelijking voorschriften woonboten, de in 2016 verleende ligplaatsvergunning meebrengt dat het woongebruik van de woonboot is gelegaliseerd.
6.1.
De burgemeester stelt zich op het standpunt dat het noodzakelijk was om binnen te treden. Bewoning van de woonboot is in strijd met het omgevingsplan en het was noodzakelijk om op naleving daarvan te controleren. Dat bij de tweede controle niets nieuws is aangetroffen wil niet zeggen dat het binnentreden niet noodzakelijk was om dit vast te stellen. Ten aanzien van het bewonen van de woonboot was nader onderzoek noodzakelijk omdat bij de eerste controle onvoldoende daarop is gecontroleerd. Verder heeft een verklaring van eiseres niet dezelfde waarde en status als een door een toezichthouder opgemaakte rapportage. Enkel een verklaring zou dan ook niet als onderbouwing kunnen worden gebruikt in een handhavingstraject. Het binnentreden is daarom, ook nu eiseres niet ontkent, nog steeds noodzakelijk.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat burgemeester de noodzaak van het binnentreden om te controleren of eiseres op de woonboot woont niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De burgemeester stelt dat het op grond van het omgevingsplan niet toegestaan is om ter plaatse te wonen. Het zou daarom noodzakelijk zijn geweest om in de woonboot binnen te treden om te controleren of het omgevingsplan in zoverre werd nageleefd. Het college van burgemeester en wethouders heeft echter op 7 mei 2025 een gedoogverklaring afgegeven ten aanzien van het wonen op de woonboot in strijd met het omgevingsplan. De burgemeester heeft op 13 juni 2025, ongeveer een maand later, een machtiging tot binnentreden afgegeven om vast te stellen of de woonboot werd bewoond. Dit kan de rechtbank niet volgen. Op 7 mei 2025 stond voor de burgemeester, gelet op de gedoogverklaring, vast dat eiseres op de woonboot woonde. Uit het dossier blijkt niet dat er enig signaal was dat de woonsituatie van eiseres veranderd zou zijn. Bovendien zou woongebruik eerst van buitenaf onderzocht kunnen worden. Reeds gelet op het voorgaande, slaagt de beroepsgrond.
Heeft de burgemeester de noodzaak ddeugdelijk gemotiveerd ten aanzien van de controle van de houtkachel?
7. Eiseres betwist ook de noodzakelijkheid van het binnentreden om op de aanwezigheid en het functioneren van de houtkachel te controleren. Ook in dit verband verwijst eiseres naar het feit dat dit de tweede machtiging tot binnentreding is die de burgemeester heeft afgegeven. Deze machtiging voegt niets toe ten opzichte van de eerste controle. Er is niets nieuws waargenomen. Ook is tijdens deze controle het functioneren van de houtkachel niet getest. Om de aanwezigheid van de kachel aan te tonen was binnentreden niet nodig. Eiseres erkent de aanwezigheid van de kachel en het gebruik daarvan. Verder zijn de kachel en de kachelpijp ook zonder binnentreden zichtbaar. Daarnaast is de controle uitgevoerd in juni en worden houtkachels in juni niet gebruikt.
7.1.
De burgemeester stelt zich op het standpunt dat ook ten aanzien van de houtkachel nader onderzoek nodig was. Dat bij de tweede controle niets nieuws is aangetroffen wil niet zeggen dat het binnentreden niet noodzakelijk was. Het onklaar maken van de kachel kon niet worden waargenomen vanaf de kade. Het was daarvoor nodig om de woonboot te betreden. Ook in dit verband heeft een verklaring van eiseres niet dezelfde waarde en status als een door een toezichthouder opgemaakte rapportage. Ook maakt de zichtbaarheid van het rookkanaal niet dat sprake is van een veilige situatie ten aanzien van de kachel. Het was immers mogelijk dat de kachel op onveilige wijze onbruikbaar was gemaakt zonder het rookkanaal te verwijderen. Het controleren kon daarom niet met een schouw vanaf de kade worden afgedaan. De tweede controle was tevens noodzakelijk, omdat de eerste controle gezamenlijk was met onder andere de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord. Het doel van die controle was om te beoordelen of de woonboot zou voldoen aan de minimale eisen van het Bbl. Er is toen onvoldoende gecontroleerd op de houtkachel om hierover een rapportage op te maken die voldoet aan de eisen uit de wetgeving en de rechtspraak.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat er geen bepalingen zijn op grond waarvan het voor eiseres op zichzelf verboden is om een houtkachel te hebben. De houtkachel moet wel voldoen aan de eisen van het Bbl. Deze eisen zien op het technisch functioneren van de kachel. Op zitting heeft de burgemeester gesteld dat bij de eerste controle geen overtreding van het Bbl is geconstateerd. Uit het controlerapport van de binnentreding op 13 juni 2025 blijkt niet dat onderzocht is of de kachel in overeenstemming met het Bbl functioneert. De burgemeester heeft op zitting toegelicht dat daarvoor geen aanleiding was, aangezien de kachel nog aanwezig bleek te zijn en niet onklaar was gemaakt, zodat de situatie met betrekking tot de kachel niet was veranderd. De rechtbank merkt verder op dat eiseres heeft verklaard dat zij nooit te kennen heeft gegeven dat zij de houtkachel zou verwijderen of onklaar zou maken. Ook op dit punt blijkt uit het dossier niet dat er signalen waren dat er iets was veranderd ten opzichte van de eerste controle. Gelet op het voorgaande, heeft de burgemeester naar het oordeel van de rechtbank ook op dit punt de noodzakelijkheid van de machtiging tot binnentreden niet deugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
Evenredigheid
8. Gezien het tijdsverloop, acht de rechtbank het niet mogelijk dat de burgemeester ten aanzien van beide doeleinden met een nadere motivering de noodzakelijkheid van de machtiging alsnog aannemelijk maakt. Daarom komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de evenredigheid.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en het bekrachtigingsbesluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat de machtiging tot binnentreden niet in stand blijft.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de burgemeester het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door haar gemachtigde als beroepsmatige rechtsbijstandverlener krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft een punt voor een proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft een punt voor een proceshandeling een waarde van € 934,-. Eiseres heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten, zoals op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb voor vergoeding vereist is. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting in bezwaar bijgewoond, een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Dit komt neer op twee punten voor de bezwaarfase en twee punten voor de beroepsfase. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 6 augustus 2025 en het bekrachtigingsbesluit van 19 mei 2026;
- herroept het besluit van 13 juni 2025;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde besluiten;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M. Duijkersloot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 20 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2322.