ECLI:NL:RBNHO:2026:96

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
11642076
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurders aansprakelijk voor herstelkosten riolering na onjuist gebruik

In deze zaak gaat het om de vraag of de huurders van een woning de kosten van het herstel van de riolering moeten betalen aan de verhuurder, Stichting Intermaris. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de huurders, [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2], aansprakelijk zijn voor de herstelkosten omdat zij gedurende langere tijd vet en olie door de gootsteen hebben gespoeld, wat heeft geleid tot een verstopping. Dit handelen is in strijd met het goed huurderschap, waardoor de huurders verplicht zijn de schade te vergoeden. De huurders staan onder bewind, maar dit betekent niet dat de verhuurder toestemming moest vragen aan de bewindvoerder voor de reparatie. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de huurders tekort zijn geschoten in hun verplichtingen op grond van de huurovereenkomst en dat de schade, bestaande uit de kosten van het herstel van de riolering, verhaald kan worden op hun vermogen. De vordering van Intermaris tot betaling van € 3.156,70 is toegewezen, evenals de wettelijke rente. De huurders zijn ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 1.253,47.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11642076 \ CV EXPL 25-1055 (rvk)
Vonnis van 15 januari 2026
in de zaak van
de stichting
Stichting Intermaris,
te Hoorn,
eisende partij,
hierna te noemen: Intermaris,
gemachtigde: mr. K. Mels,
tegen
1. de maatschap
[maatschap], in haar hoedanigheid van bewindvoerder van de heer
[onderbewindgestelde 1]en mevrouw
[onderbewindgestelde 2],
te [plaats] ,
2.
[bewindvoerder 1], handelend onder de naam
[maatschap], in haar hoedanigheid van bewindvoerder van de heer
[onderbewindgestelde 1]en mevrouw
[onderbewindgestelde 2],
te [plaats] ,
3.
[bewindvoerder 2], handelend onder de naam
[maatschap], in haar hoedanigheid van bewindvoerder van de heer
[onderbewindgestelde 1]en mevrouw
[onderbewindgestelde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: de bewindvoerders q.q. of [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] ,
gemachtigde: mr. L. Stolk-Hogeterp.
De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de vraag of de huurders van een woning de kosten van het herstel van de riolering moeten betalen aan de verhuurder. De kantonrechter is van oordeel dat dit zo is omdat voldoende aannemelijk is dat de huurders gedurende langere tijd vet en olie door de gootsteen hebben gespoeld waardoor de verstopping is ontstaan. Dit maakt dat zij in strijd hebben gehandeld met het goed huurderschap en zij zijn daarom verplicht de schade te vergoeden. De huurders staan onder bewind, maar dat betekent niet dat de verhuurder toestemming had moeten vragen aan de bewindvoerder voor het laten uitvoeren van de reparatie en het betekent ook niet dat de schade niet verhaald kan worden op het vermogen van de huurders.

1.De procedure

1.1.
Intermaris heeft bij dagvaarding van 28 maart 2025 een vordering tegen de bewindvoerders q.q. ingesteld. De bewindvoerders q.q. hebben schriftelijk geantwoord.
1.2.
Op 11 november 2025 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Zowel Intermaris als de bewindvoerders q.q. hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.

2.De feiten

2.1.
[onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] huren sinds 10 september 2013 van Intermaris de woning aan het adres [adres] te [plaats] .
2.2.
Over de goederen die toebehoren aan [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] is op 7 december 2011 een bewind ingesteld en de bewindvoerders q.q. zijn tot bewindvoerders benoemd. [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] staan, met andere woorden, ‘onder bewind’.
2.3.
Op 10 oktober 2023 hebben [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] bij Intermaris gemeld dat de gootsteenafvoer verstopt is. Namens Intermaris is een loodgietersbedrijf, Van der Velden, langsgeweest om de gootsteen te ontstoppen.
2.4.
Op 18 december 2023 hebben [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] weer een melding gedaan bij Intermaris over een verstopte gootsteen. Ook deze verstopping is door het loodgietersbedrijf verholpen.
2.5.
Ook op 19 december 2023 hebben [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] gemeld dat zij te maken hebben met een verstopte gootsteen.
2.6.
Op 22 december 2023 heeft Van der Velden de riolering onder andere met een camera geïnspecteerd.
2.7.
[onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] hebben op 28 december 2023 weer melding gemaakt van een verstopping van de gootsteen, ditmaal rechtstreeks bij Van der Velden.
2.8.
Van der Velden heeft in een bericht van 4 januari 2024 aan Intermaris laten weten dat de gehele rioolleiding onder woning over een lengte van zes tot zeven meter vol zit met vet en dat de leiding niet meer schoon te maken is en vervangen dient te worden. Intermaris heeft opdracht gegeven aan Van der Velden om de leiding te vervangen.
2.9.
Intermaris heeft per brief van 12 februari 2024 de kosten van het vervangen van de leiding van € 3.156,70 (inclusief btw) in rekening gebracht bij [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] , althans de bewindvoerders q.q. De bewindvoerders q.q. hebben de rekening niet betaald.

3.Het geschil

3.1.
Intermaris vordert betaling van € 3.597,37 vermeerderd met rente en kosten. Dit betreft de kosten van het vervangen/herstel van de riolering van € 3.156,70 en de buitengerechtelijke kosten van € 440,67.
3.2.
Intermaris legt aan de vordering ten grondslag dat [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] op grond van de huurovereenkomst en de wet er voor moeten zorgen dat het riool schoon blijft en er dus geen vet of olie doorheen mogen spoelen. [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] hebben vet of olie door de gootsteen gespoeld waardoor het riool is verstopt. Daarmee zijn zij tekortgeschoten in hun verplichtingen op grond van de huurovereenkomst en dat maakt dat zij aansprakelijk zijn voor de schade die als gevolg van de verstopping is ontstaan. Deze schade bestaat uit de kosten van het herstel van de riolering. De verstopping was namelijk zo ernstig dat het riool niet meer te ontstoppen was en over een lengte van zes meter vervangen moest worden. [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] moeten daarbij ook de buitengerechtelijke kosten betalen.
3.3.
[onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] zijn ook op een andere grond aansprakelijk voor de schade, namelijk op grond van onrechtmatige daad. [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] hebben onrechtmatig gehandeld door zoveel vet en olie door de gootsteen te spoelen en daarom zij zijn gehouden de schade die Intermaris daardoor heeft geleden, te vergoeden.
3.4.
[onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] voeren verweer. [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] vinden dat de vordering van Intermaris moet worden afgewezen. Zij stellen dat zij nooit vet of olie door de gootsteen hebben gespoeld. De verstopping is niet door hun toedoen ontstaan. Volgens [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] was de staat van riolering van het begin af aan al gebrekkig en heeft dat de problemen veroorzaakt.
3.5.
Daarbij komt dat [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] onder bewind staan; Intermaris had daarom toestemming moeten vragen aan de bewindvoerders q.q. voor het laten uitvoeren van de reparatie. Dat is niet gebeurd en daarom is de overeenkomst ongeldig. Los daarvan kunnen vanwege het bewind de kosten van de reparatie niet op [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] verhaald worden.
3.6.
Ook de buitengerechtelijke kosten zijn niet verschuldigd en bovendien hebben de bewindvoerders q.q. direct aan Intermaris te kennen gegeven dat er geen financiële ruimte was om de rekening te betalen. Het vorderen van incassokosten is dan ook onredelijk.

4.De beoordeling

4.1.
De vraag die de kantonrechter moet beantwoorden is of de bewindvoerders q.q. moeten worden veroordeeld om de kosten van het vervangen van het riool aan Intermaris te vergoeden. Die vraag beantwoordt de kantonrechter bevestigd: de bewindvoerders q.q. moeten die kosten inderdaad betalen. Hierna legt de kantonrechter uit waarom dit zo is.
4.2.
De kantonrechter neemt als vaststaand aan dat de rioolleiding onder de woning verstopt zit met vet. Dit wordt gebaseerd op de berichten naar aanleiding van de inspecties van het riool door Van der Velden, het ingeschakelde loodgietersbedrijf, waarin melding gemaakt wordt van een verstopping met vet over een lengte van zes tot zeven meter. Er zijn geen gegevens of stukken waaruit iets anders blijkt.
4.3.
Vervolgens is de vraag door wie of wat die verstopping is veroorzaakt. Intermaris stelt dat de verstopping wordt veroorzaakt doordat [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] vet en olie door de gootsteen spoelen. [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] betwisten dat; zij spoelen nooit vet of olie door de gootsteen. Volgens [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] zijn de problemen ontstaan door achterstallig onderhoud van de kant van Intermaris. Zij ervaren al jaren problemen aan het riool, maar daar wordt nooit iets aan gedaan. Dit verweer slaagt naar het oordeel van de kantonrechter niet. Anders dan de bewindvoerders q.q. stellen is namelijk niet gebleken dat er vanaf het begin af aan problemen waren met de riolering. [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] hebben wel gezegd dat zij heel vaak melding hebben gemaakt van de problemen, maar dat blijkt nergens uit. En ook als wel wordt aangenomen dat de problemen al langere tijd zijn gemeld, dan nog slaagt het verweer niet want op de zitting hebben [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] ook gezegd dat Van der Velden telkens langskwam om de riolering te ontstoppen waarna die weer doorliep. En dat betekent dat de verstoppingen die daarna telkens toch weer optraden alleen maar kunnen zijn veroorzaakt door [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] , want zij zijn de enige gebruikers van de woning.
4.4.
Doordat [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] vet of olie door de gootsteen spoelen handelen zij in strijd met hun verplichtingen als goed huurders [1] . Dat levert een tekortkoming op en [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] moeten daarom de schade vergoeden die zij hebben veroorzaakt. De bewindvoerders q.q. hebben aangevoerd dat er eerst sprake moet zijn van verzuim voordat er sprake kan zijn van een schadevergoeding. Dit verweer slaagt niet. In het algemeen moet er inderdaad sprake zijn van verzuim voordat aanspraak gemaakt kan worden op een schadevergoeding als gevolg van een tekortkoming, maar in dit geval niet omdat het hier gaat om een tekortkoming die niet ongedaan kan worden gemaakt. [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] moeten dus de schade vergoeden. Intermaris heeft uitgelegd waaruit die schade bestaat, namelijk uit de kosten van de reparatie door loodgietersbedrijf Van der Velden. [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] hebben de hoogte van de schade op zich zelf niet betwist, zodat de kantonrechte daar van uitgaat. [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] hebben nog gesteld dat de factuur van de herstelwerkzaamheden ten onrechte met btw is doorbelast, maar dat standpunt hebben zij pas op de zitting naar voren gebracht en dat is te laat.
4.5.
De bewindvoerders q.q. hebben ook aangevoerd dat Intermaris toestemming had moeten vragen aan de bewindvoerders q.q. voor het laten uitvoeren van de reparatie van het riool. Dit argument gaat niet op. Op grond van de wet [2] komt het beheer van de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbenden ( [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] ), maar aan de bewindvoerder. De woning is echter geen onder bewind staand goed (van [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] ), de woning is immers eigendom van Intermaris. Intermaris hoeft dan ook geen toestemming te vragen aan de bewindvoerders q.q. als zij herstelwerkzaamheden wil uitvoeren. Het is ook niet zo dat Intermaris die kosten niet kan verhalen op het onder bewind gestelde vermogen van [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] . De uitleg van de wettelijk bepalingen hierover [3] zoals de bewindvoerders q.q. die bepleiten, zou betekenen dat een huurder die onder bewind staat zonder enige beperking schade kan toebrengen aan het gehuurde en dat de verhuurder die schade nooit zou kunnen verhalen op de huurder. Dat is geen redelijke uitleg en de kantonrechter is daarom van oordeel dat Intermaris de schade kan verhalen op het onder bewind gestelde vermogen van [onderbewindgestelde 1] en [onderbewindgestelde 2] .
4.6.
De conclusie is dat de vordering tot betaling van de herstelkosten van € 3.156,70 wordt toegewezen.
4.7.
Tegen de gevorderde rente is geen verweer gevoerd en die zal eveneens worden toegewezen, echter slechts de wettelijke rente omdat het hier niet gaat om een handelsovereenkomst.
4.8.
De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu de grondslag en de feitelijke onderbouwing van deze kosten in de dagvaarding ontbreekt. Dit deel van de vordering is dan ook niet toewijsbaar.
4.9.
De bewindvoerders q.q. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Intermaris worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.253,47
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.11.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt de bewindvoerders q.q. hoofdelijk tot betaling van € 3.156,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2024 tot de dag van voldoening,
5.2.
veroordeelt de bewindvoerders q.q. hoofdelijk in de proceskosten van € 1.253,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de bewindvoerders q.q. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt de bewindvoerders q.q. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:213 Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Artikel 1:438 BW
3.Artikel 1:439 en 1:440 BW