ECLI:NL:RBNHO:2026:982

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
15/281067-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor afpersing en diefstal met bedreiging bij overvallen in Wormerveer

De rechtbank Noord-Holland heeft op 3 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die zich schuldig maakte aan twee overvallen in Wormerveer op 28 september en 4 oktober 2025. De verdachte gebruikte geweld en bedreiging met een mes om contant geld af te dwingen en weg te nemen van slachtoffers in een ijssalon en een ander bedrijf.

De rechtbank achtte de verdachte wettig en overtuigend schuldig aan eendaadse samenloop van afpersing en diefstal met bedreiging bij de eerste overval en afpersing bij de tweede. De verdachte werd veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en kreeg vijf bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder verplichte klinische opname en behandeling vanwege verslavings- en psychische problematiek.

De rechtbank kende aan de slachtoffers immateriële en materiële schadevergoedingen toe, deels verminderd vanwege onvoldoende onderbouwing. Tevens werd de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, met gijzeling als dwangmiddel bij niet-betaling. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard vanwege het hoge recidiverisico.

De uitspraak benadrukt de ernst van de feiten, de impact op de slachtoffers en de noodzaak van behandeling en toezicht om herhaling te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/281067-25
Uitspraakdatum: 3 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1970 te Amsterdam,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres],
nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. R. Visser en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren is gebracht.

1.Tenlastelegging

De verdachte wordt verweten in totaal drie strafbare feiten. De beschuldigen komen – kort gezegd – op het volgende neer:
Feit 1:
het dwingen van [slachtoffer 1] tot de afgifte van een hoeveelheid contant geld door geweld en/of bedreiging met geweld op 28 september 2025 in Wormerveer;
Feit 2
het wegnemen van een hoeveelheid contant geld welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] op 28 september 2025 in Wormerveer;
Feit 3
Primair: het dwingen van [slachtoffer 2] tot de afgifte van een hoeveelheid contant geld door geweld en/of bedreiging met geweld op 4 oktober 2025 in Wormerveer;
Subsidiair: het wegnemen van een hoeveelheid contant geld welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] op 4 oktober 2025 in Wormerveer.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder feit 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring van de feiten te kunnen komen en heeft zich ten aanzien daarvan gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder feit 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit. Gelet daarop zal de rechtbank hieronder volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan zij tot een bewezenverklaring is gekomen. De hierna te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
Feit 1
  • De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 januari 2026;
  • Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 28 september 2025 (dossierpagina 18 e.v.);
  • Een proces-verbaal van bevindingen van 10 oktober 2025 (dossierpagina 40 e.v.).
Feit 2
  • De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 januari 2026;
  • Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 28 september 2025 (dossierpagina 18 e.v.);
  • Een proces-verbaal van bevindingen van 10 oktober 2025 (dossierpagina 40 e.v.).
Feit 3 primair
  • De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 januari 2026;
  • Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 4 oktober 2025 (dossierpagina 79 e.v.);
  • Een proces-verbaal van bevindingen van 20 oktober 2025 (dossierpagina 81 e.v.).
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten onder 1, 2 en 3 primair heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1hij op 28 september 2025 te Wormerveer, gemeente Zaanstad, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid contant geld, dat geheel of ten dele aan het [naam] toebehoorde, door zich
- voorzien van een mes, naar het [naam] te begeven en
- dreigend op die [slachtoffer 1] af te lopen en haar te volgen naar de kassa en
- die [slachtoffer 1] het mes te tonen en
- tegen die [slachtoffer 1] dreigend en/of dwingend de woorden toe te voegen: "kassa open maken of ik steek je neer" en vervolgens
- die [slachtoffer 1] dreigend en/of dwingend de woorden toe te voegen: "gooi die bak er maar in" en "zorg dat ik niet wordt gepakt";
Feit 2hij op 28 september 2025 te Wormerveer, gemeente Zaanstad, een hoeveelheid contant geld, dat geheel of ten dele aan het [naam] toebehoorde heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te
maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door zich
- voorzien van een mes, naar het [naam] te begeven en
- dreigend op die [slachtoffer 1] af te lopen en haar te volgen naar de kassa en
- die [slachtoffer 1] het mes te tonen en
- tegen die [slachtoffer 1] dreigend en/of dwingend de woorden toe te voegen: "kassa open maken of ik steek je neer" en vervolgens
- het (brief)geld uit de kassalade te pakken en de woorden toe te voegen "zit er nog wat onder" en vervolgens
- het (brief)geld onder de bak met muntgeld te pakken en vervolgens
- die [slachtoffer 1] dreigend en/of dwingend de woorden toe te voegen: "zorg dat ik niet wordt gepakt";
Feit 3hij op 4 oktober 2025 te Wormerveer, gemeente Zaanstad, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2], heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid contant geld dat geheel of ten dele aan [bedrijfsnaam] toebehoorde, door zich
- voorzien van een mes, en gekleed in gezicht bedekkende kleding, naar de [bedrijfsnaam] te begeven en
- op de toonbank af te lopen en die [slachtoffer 2] dreigend en/of dwingend de woorden toe te voegen: "nu de kassa, maak nu de kassa open" en
- die [slachtoffer 2] het mes te tonen en
- over de toonbank heen te springen en
- achter die [slachtoffer 2] aan te lopen en
- het mes op die [slachtoffer 2] te richten en dreigend de woorden toe te voegen: "nu openmaken, nu openmaken" en
- die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen: "ik kom bij je en steek je voor je flikker" en
- de munthouder inhoudende het contant geld van de toonbank af te pakken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1 en feit 2, de eendaadse samenloop van:
afpersing
en
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;
Feit 3 primair:
afpersing.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke strafdeel moeten de algemene en bijzondere voorwaarden worden verbonden die de reclassering heeft geadviseerd. Deze bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft opgemerkt dat in de strafmaat rekening moet worden gehouden met het feit dat een klinische behandeling – geformuleerd als één van de bijzondere voorwaarden door de reclassering – plaats zal vinden in een gedwongen kader en gesloten setting en hij daarna nog jaren gebonden is aan reclasseringstoezicht.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich op 28 september 2025 schuldig gemaakt aan een overval op ijssalon het [naam] en een aantal dagen later, op 4 oktober 2025, schuldig gemaakt aan een overval op [bedrijfsnaam]. De verdachte heeft bij beide overvallen door bedreiging met geweld de afgifte van een hoeveelheid contant geld gedwongen. Hij heeft hierbij een groot mes getoond en had bij één van de overvallen een bivakmuts op. Door op deze manier te handelen heeft de verdachte laten zien geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit en eigendommen van anderen. Ook heeft de verdachte hiermee ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van de jongvolwassen slachtoffers. De rechtbank overweegt dat het voor alle slachtoffers een traumatische ervaring moet zijn geweest dat zij op deze wijze op hun werk, een plek waar men zich veilig hoort te voelen, zijn overvallen. De verdachte heeft met zijn handelen op geen enkele wijze rekening gehouden met de mogelijke gevolgen voor de slachtoffers en kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen gewin. Uit de toelichtingen op de vorderingen tot schadevergoeding en het uitgeoefende spreekrecht blijkt hoe groot de impact van dit alles op de slachtoffers is geweest en nog altijd is. Dit soort feiten veroorzaakt niet alleen bij de slachtoffers gevoelens van onrust en onveiligheid, maar ook bij de buurtbewoners en de samenleving in het algemeen.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte van 12 december 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte weliswaar eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, maar niet meer na 2012. De rechtbank zal het strafblad van de verdachte dan ook niet in zijn nadeel meewegen.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapportages van 23 oktober 2025, 4 november 2025 en 7 januari 2026. Hieruit volgt dat de verdachte al ruim tientallen jaren kampt met verslavings- en psychische problematiek, die hij in de periode na 2012 min of meer onder controle had, maar enige tijd voor 23 oktober 2025 niet meer, wat er onder meer toe heeft geleid dat de verdachte is overgegaan tot het plegen van strafbare feiten. Het risico op recidive wordt door de reclassering als hoog ingeschat en een omvangrijk plan van aanpak is huns inziens noodzakelijk om de risico’s te kunnen beïnvloeden en gedragsverandering te bewerkstelligen. Zij adviseren bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan vijf bijzondere voorwaarden te verbinden, waaronder een klinische opname in een zorginstelling. De rechtbank merkt op dat uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte gemotiveerd is om zijn problematiek aan te pakken en hij daarbij hulp wenst, aangezien meerdere aanmeldingen voor behandelingen op eigen initiatief vanwege wachtlijsten en financiële onhaalbaarheid niet van de grond zijn gekomen.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een vrijheidsbenemende straf van nader te noemen duur passend en geboden is. De rechtbank heeft hierbij acht geslagen op de oriëntatiepunten van de rechtspraak, waaruit blijkt dat op één overval als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren geldt. De rechtbank ziet echter – net als de officier van justitie en de raadsman – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het advies van de reclassering, waarbij onder meer een langdurige klinische opname wordt geadviseerd, aanleiding om een deels voorwaardelijke straf op te leggen met een langere proeftijd.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, namelijk 12 maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van 3 jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding om het onvoorwaardelijke deel (nog) verder te verlagen gelet op de ernst van het feit. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden om het recidiverisico te verlagen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank zal bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De rechtbank grondt dat oordeel op de bewezenverklaarde feiten en de inhoud van het reclasseringsrapport, waarin onder meer naar voren is gekomen dat de kans op recidive als hoog wordt ingeschat gelet op de nog onbehandelde verslavings- en psychische problematiek waarmee de verdachte kampt.

7.De vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering van [slachtoffer 1] t.a.v. feit 1 en 2
Een gemachtigde van [verzekeringsmaatschappij] heeft namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte van in totaal € 2.500,-, bestaande uit immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde onder feit 1 en 2 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 1.250,-, aangezien in de door de benadeelde partij aangehaalde uitspraak sprake is van letsel, wat in onderhavige zaak niet het geval is.
Het oordeel van de rechtbank
Gelet op artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze. Van dit laatste geval is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank is van oordeel dat dit laatste het geval is, gelet op de aard en ernst van de overval. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring en het uitgeoefende spreekrecht van [slachtoffer 1] blijkt dat zij tot op de dag van vandaag kampt met gevoelens van angst en onveiligheid. Zij heeft als gevolg van het incident haar werkzaamheden nog niet kunnen hervatten. Zij was ten tijde van het incident slechts achttien jaar oud en staat op een wachtlijst voor ergotherapiebehandeling om de door de overval veroorzaakte klachten te verhelpen. Vergoeding van de gevorderde schade tot een bedrag van € 1.750,- komt de rechtbank billijk voor, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen onder de feiten 1 en 2 [kort gezegd: afpersing en diefstal met bedreiging van geweld] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen.
7.2
De vordering van [slachtoffer 3] t.a.v. feit 1 en 2
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte van in totaal € 4.053,65 wegens materiële schade en een nog onbekend bedrag aan immateriële schade, die zij als gevolg van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gestelde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- gestolen kassageld à € 469,75;
- kortere openingstijden à € 800,00;
- 11 dagen gesloten à € 2.750;
- slaappillen à € 33,90
Bij de post immateriële schade is geen bedrag ingevuld.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gestolen kassageld en de aanschaf van slaappillen voldoende aannemelijk zijn gemaakt en heeft verzocht die posten geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van het gestolen kassageld en de slaappillen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de overig gevorderde materiële kosten en ook de niet gespecificeerde immateriële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, wegens het ontbreken van een onderbouwing.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat hoewel de benadeelde partij, [slachtoffer 3], niet in het [naam] aanwezig was ten tijde van de overval, voldoende is vast komen te staan uit het verhandelde ter terechtzitting en het uitgeoefende spreekrecht dat zij door het voorval als eigenaresse van het bedrijf door de overval op haar zaak rechtstreekse schade heeft geleden, zowel materiële, als immateriële schade. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het gestolen kassageld en de aanschaf van slaappillen rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde onder feit 1 en 2. Mede gelet op het standpunt van de verdediging, zal de rechtbank dit deel van de vordering dan ook toewijzen, te weten tot het bedrag van € 503,65, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Dat de overval in zakelijke zin verder de nodige impact heeft gehad en tot omzetverlies en hogere personeelskosten heeft geleid, is weliswaar goed voorstelbaar, maar dit deel van de vordering is verder niet onderbouwd met stukken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de benadeelde partij voor het overig gevorderde materiële deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering.
De rechtbank verwijst ten aanzien van de immateriële schadepost naar het juridisch kader zoals hiervoor bij de benadeelde partij [slachtoffer 1] vermeld staat.
In haar schriftelijke toelichting heeft de benadeelde partij [slachtoffer 3] bij de post immateriële schade vermeld dat de kosten van haar traumabehandeling bij Indigo (na doorverwijzing door de praktijkondersteuner bij de huisarts, in verband met een geconstateerde vorm van PTSS) nog niet bekend zijn, omdat de behandeling nog niet is gestart. Om die reden heeft zij bij deze post geen bedrag ingevuld. Ze heeft op zitting verklaard dat het door de gepleegde overval nog steeds niet goed gaat met haar en dat zij niet werkt, omdat ze haar ijssalon niet durft te openen. De traumabehandeling is inmiddels wel gestart.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] voldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld, waaruit blijkt dat zij door de overval geestelijk letsel heeft opgelopen waarvoor zij nu traumabehandeling volgt. Vergoeding van de gevorderde post immateriële schade komt de rechtbank tot een bedrag van € 500,00 billijk voor, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen onder feit 1 en 2 [kort gezegd: afpersing en diefstal met bedreiging van geweld] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
7.3
De vordering van [slachtoffer 2] t.a.v. feit 3
Een gemachtigde van Slachtofferhulp Nederland heeft namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte van in totaal € 1.250,-, bestaande uit immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde onder feit 3 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de gehele vordering wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwijst naar het juridisch kader zoals hiervoor bij de benadeelde partij [slachtoffer 1] vermeld staat.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de normschending met zich meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] blijkt, ondanks dat hij zijn werkzaamheden heeft hervat, tot op de dag van vandaag kampt met gevoelens van angst en onveiligheid, voornamelijk in de avonden. Aangezien hij niet meer alleen durft te fietsen in het donker, is hij genoodzaakt alternatief vervoer te regelen. Vergoeding van de gevorderde schade voor het bedrag van € 1.250,- komt de rechtbank dan ook billijk voor, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen onder feit 3 [kort gezegd: afpersing] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 36f, 55, 57, 312 en 317 Sr.

9.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
24 [vierentwintig] maanden;
beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot
12 [twaalf] maanden nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
- zich tijdens de proeftijd voor 12 maanden of zo veel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Brijder Verslavingszorg, GGZ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zo lang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er na de langdurige klinische opname sprake is van een zodanige verslechtering van de psychische toestand/verslavingsproblematiek dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
- indien nodig, gedurende de proeftijd of zo veel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek /ademonderzoek/ speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
Benadeelde partij [slachtoffer 1] t.a.v. feit 1 en 2
wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 1.750,- (zegge: duizendzevenhonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
Schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.750,- (zegge: duizendzevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, waarbij geldt dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;
Benadeelde partij [slachtoffer 3] t.a.v. feit 1 en 2
wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 3] geleden schade tot een bedrag van € 1003,65 (zegge: duizenddrie euro en vijfenzestig cent), bestaande uit materiële en immateriële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 3], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
Schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1003,65 (zegge: duizenddrie euro en vijfenzestig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, waarbij geldt dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;
Benadeelde partij [slachtoffer 2] t.a.v. feit 3
wijst geheel toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade voor een bedrag van € 1.250,- (zegge: duizendtweehonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
Schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.250,- (zegge: duizendtweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, waarbij geldt dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Korteweg, voorzitter,
mr. C.S. Schoorl en mr. K.I.E. Lammers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Saelens
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 februari 2026.
Bijlage 1: de tenlastelegging
Feit 1hij op of omstreeks 28 september 2025 te Wormerveer, gemeente Zaanstad, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid (contant) geld in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [naam] en/of een derde toebehoorde(n), door
- voorzien van een mes, althans een voorwerp gelijkend op een mes, naar het [naam] te begeven en/of
- dreigend op die [slachtoffer 1] af te lopen en/of haar te volgen naar de kassa en/of
- die [slachtoffer 1] het mes, althans een voorwerp gelijkend op een mes, te tonen en/of
- tegen die [slachtoffer 1] dreigend en/of dwingend de woorden toe te voegen: "kassa open maken of ik steek je neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (vervolgens)
- het (brief)geld uit de kassalade te pakken en/of de woorden toe te voegen "zit er nog wat onder" en/of (vervolgens)
- het (brief)geld onder de bak met muntgeld te pakken en/of (vervolgens)
- die [slachtoffer 1] dreigend en/of dwingend de woorden toe te voegen: "gooi die bak er maar in" en/of "zorg dat ik niet wordt gepakt";
Feit 2hij op of omstreeks 28 september 2025 te Wormerveer, gemeente Zaanstad, een hoeveelheid (contant) geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [naam], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te
maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- voorzien van een mes, althans een voorwerp gelijkend op een mes, naar het [naam] te begeven en/of
- dreigend op die [slachtoffer 1] af te lopen en/of haar te volgen naar de kassa en/of
- die [slachtoffer 1] het mes, althans een voorwerp gelijkend op een mes, te tonen en/of
- tegen die [slachtoffer 1] dreigend en/of dwingend de woorden toe te voegen: "kassa open maken of ik steek je neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (vervolgens)
- het (brief)geld uit de kassalade te pakken en/of de woorden toe te voegen "zit er nog wat onder" en/of (vervolgens)
- het (brief)geld onder de bak met muntgeld te pakken en/of (vervolgens)
- die [slachtoffer 1] dreigend en/of dwingend de woorden toe te voegen: "gooi die bak er maar in" en/of "zorg dat ik niet wordt gepakt";
Feit 3hij op of omstreeks 4 oktober 2025 te Wormerveer, gemeente Zaanstad, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2], heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid contant geld (ongeveer €230), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijfsnaam] en/of een derde toebehoorde(n), door
- voorzien van een mes, althans een voorwerp gelijkend op een mes en/of gekleed in gezichtsbedekkende kleding, naar de [bedrijfsnaam] te begeven en/of
- dreigend op de toonbank af te lopen en/of die [slachtoffer 2] dreigend en/of dwingend de woorden toe te voegen: "nu de kassa, maak nu de kassa open" en/of
- die [slachtoffer 2] het mes, althans een voorwerp gelijkend op een mes, te tonen en/of
- over de toonbank heen te springen en/of
- achter die [slachtoffer 2] aan te lopen en/of
- het mes, althans een voorwerp gelijkend op een mes, op die [slachtoffer 2] te richten en/of driegend de woorden toe te voegen: "nu openmaken, nu openmaken" en/of
- die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen: "ik kom bij je en steek je voor je flikker", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- de munthouder (inhoudende het contant geld) van de toonbank af te pakken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 oktober 2025 te Wormerveer, gemeente Zaanstad een hoeveelheid contant geld (ongeveer €230), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijfsnaam], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- voorzien van een mes, althans een voorwerp gelijkend op een mes en/of gekleed in gezichtsbedekkende kleding, naar de [bedrijfsnaam] te begeven en/of
- dreigend op de toonbank af te lopen en/of die [slachtoffer 2] dreigend en/of dwingend de woorden toe te voegen: "nu de kassa, maak nu de kassa open" en/of
- die [slachtoffer 2] het mes, althans een voorwerp gelijkend op een mes, te tonen en/of
- over de toonbank heen te springen en/of
- achter die [slachtoffer 2] aan te lopen en/of
- het mes, althans een voorwerp gelijkend op een mes, op die [slachtoffer 2] te richten en/of driegend de woorden toe te voegen: "nu openmaken, nu openmaken" en/of
- die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen: "ik kom bij je en steek je voor je flikker", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- de munthouder (inhoudende het contant geld) van de toonbank af te pakken;