ECLI:NL:RBNHO:2026:983

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
C/15/373306 / JU RK 25-1863 en C/15/373308 / JU RK 25-1864
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c, tweede lid, BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing baby toegewezen met aandacht voor thuisplaatsing

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 23 januari 2026 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een baby die nog in het ziekenhuis verblijft.

De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar er zijn ernstige zorgen over hun vermogen om de zorg en opvoeding te bieden die de baby nodig heeft. De moeder kampt met persoonlijke problematiek en de vader heeft een ondersteunende rol. De baby verblijft momenteel in een medisch verpleeghuis en kan niet thuis worden verzorgd.

De rechtbank oordeelt dat de ontwikkeling van de baby ernstig wordt bedreigd en dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd voor een jaar en wordt een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor drie maanden in een gezinsgerichte voorziening. De GI moet ook serieus overwegen of thuisplaatsing, eventueel met alleen de vader, haalbaar is. De beslissing is direct uitvoerbaar en het verzoek van de GI tot uithuisplaatsing wordt afgewezen omdat het verzoek van de Raad reeds is toegewezen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de baby wordt verlengd en een machtiging tot uithuisplaatsing voor drie maanden verleend met nadruk op het serieus overwegen van thuisplaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummers: C/15/373306 / JU RK 25-1863 en C/15/373308 / JU RK 25-1864
Datum uitspraak: 23 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Haarlem,
en
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. A.E. Muller te Haarlem,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad (zaaknummer C/15/373306 / JU RK 25-1863), ontvangen op 23 december 2025;
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI (zaaknummer C/15/373308 / JU RK 25-1864), ontvangen op 30 december 2025;
  • het rapport van de Raad (zaaknummer C/15/373306 / JU RK 25-1863), ontvangen op 9 januari 2026;
  • het aanvullende verzoekschrift met bijlage van de Raad (zaaknummer C/15/373306 / JU RK 25-1863), ontvangen op 19 januari 2026.
1.2.
De verzoeken zijn gelijktijdig behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren op 22 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
- de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft in het [ziekenhuis] te [plaats] .
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 6 november 2025 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 6 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Daarnaast heeft de Raad aanvullend verzocht om een machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van drie maanden.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een verpleegkundig kinderzorghuis, gezinshuis of in het kader van een gezinsopname te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.
Zowel de Raad als de GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft de verzoeken als volgt toegelicht. De zorgen over [de minderjarige] en de mogelijkheden van de ouders zijn nog onveranderd. [de minderjarige] is nu drie maanden oud en verblijft nog steeds in het ziekenhuis, omdat zij nog niet volledig zelfstandig kan drinken. De GI is bezig met een plan voor na ontslag uit het ziekenhuis. In ieder geval is duidelijk dat [de minderjarige] dan niet met de ouders mee naar huis kan. De ouders, en vooral de moeder, hebben nog steeds sturing en hulp nodig bij het uitvoeren van de dagelijkse zorg voor [de minderjarige] . Het is positief dat de ouders open blijven staan voor alle zorg en hulpverlening. Zij lijken echter wisselend open te staan voor een gezinsopname of een moeder-kindhuis en lijken de zorgen niet te herkennen. Daarnaast is het nog onduidelijk of de moeder voldoende in staat is om voor [de minderjarige] te zorgen. Zij kampt met persoonlijke problematiek, die van invloed is op haar dagelijks functioneren. Ze heeft begeleiding van het FACT nodig en lijkt veel te leunen op de vader. De vader lijkt positieve stappen te zetten in de verzorging van [de minderjarige] , maar er dient, mede gelet op zijn steunende rol voor de moeder, meer zicht te komen op zijn mogelijkheden en draagkracht. Inmiddels verblijft [de minderjarige] bij [locatie] en het is de bedoeling dat zij daar de komende periode nog zal verblijven. Om die reden heeft de Raad aanvullend ook een uithuisplaatsing van [de minderjarige] verzocht.
3.3.
De GI heeft het verzoek als volgt toegelicht. De ouders en [de minderjarige] hebben 24-uurs begeleiding nodig, maar dat is thuis niet mogelijk. Plaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin heeft niet de voorkeur, omdat dan geen zicht komt op de opvoedvaardigheden en leerbaarheid van de ouders. Ook een moeder-kindhuis is niet passend, omdat dan onvoldoende zicht komt op de vaardigheden van de ouders gezamenlijk. Een gezinshuis lijkt wel passend. Inmiddels verblijft [de minderjarige] in de door het ziekenhuis als overbruggingsplek aangedragen [locatie] van [een gezinsgerichte voorziening] . Hier kan [de minderjarige] de nodige medische zorg krijgen en de ouders kunnen daar overnachten. [locatie] is ook bereid te rapporteren over de opvoedvaardigheden en leerbaarheid van de ouders. [een gezinsgerichte voorziening] heeft gezinshuis [gezinshuis] aangedragen als verblijfsplek, maar deze plek wordt nog gescreend. Binnenkort staat een gesprek gepland met [gezinshuis] , de ouders en de GI. Bekeken moet worden of [locatie] voldoende is om zicht te krijgen op de ouders of dat plaatsing in een gezinshuis daarvoor toch nodig is. Verder is het nog een zorg dat de ouders de zorgen buiten zichzelf lijken te leggen, zoals de positieve drugstest van de moeder, en zijn nog zorgen over de zelfzorg van de moeder.
3.4.
De Raad en de GI hebben ter zitting het volgende naar voren gebracht. Al voor de geboorte van [de minderjarige] waren zorgen over het draaien van een huishouden en de zelfzorg van de moeder. Het is belangrijk dat inzicht komt in de mogelijkheden van de ouders om de zorg voor [de minderjarige] te kunnen dragen naast de dagstructuur en andere taken, zoals het huishouden. Daarvoor is het van belang dat de ouders geobserveerd en getraind worden. Een gezinshuis is daar het meest passend voor.

4.De standpunten

4.1.
De ouders en de advocaat hebben ter zitting naar voren gebracht dat de ouders zich niet verzetten tegen de ondertoezichtstelling, maar wel tegen de uithuisplaatsing. De ouders zijn van mening dat zij thuis zelf voor [de minderjarige] kunnen zorgen. Het enige waar zij hulp bij nodig hebben, is het opnieuw inbrengen van de sonde, mocht [de minderjarige] deze eruit trekken. De ouders krijgen ook vanuit [locatie] terug dat zij het goed doen. De zorgen over cannabisgebruik kunnen thuis ondervangen worden door urinecontroles en daarnaast hebben de ouders ook hulp vanuit hun systeem. De ouders staan open voor hulpverlening, maar wel vanuit de thuissituatie.
De ouders betwisten dat zij een knipperlichtrelatie hebben (gehad). De moeder krijgt hulpverlening en medicatie vanuit het FACT, maar wil daar andere professionele hulp voor zoeken omdat haar vertrouwen geschaad is. Het klopt dat veel spullen in huis staan, maar dit komt doordat de babyspullen erbij zijn gekomen en alle spullen zijn wel geordend. Verder blowen de ouders niet meer. De ouders willen graag de kans om te laten zien dat zij de zorg voor [de minderjarige] zelfstandig kunnen dragen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat nog onvoldoende duidelijk is of de ouders voldoende in staat zijn om [de minderjarige] de zorg en opvoeding te geven die zij nodig heeft. De moeder kampt met persoonlijke problematiek, waardoor zij al voor de geboorte van [de minderjarige] moeite had met het organiseren van haar dagelijkse leven en haar zelfzorg. Zij leunt veel op de vader. Hoewel de ouders, en met name de vader, positieve stappen hebben gezet in de verzorging voor [de minderjarige] , is het nog onduidelijk of zij zelfstandig de volledige verzorging voor [de minderjarige] op zich kunnen nemen buiten de beschermde omgeving van het ziekenhuis of het medisch verpleeghuis waar [de minderjarige] nu verblijft. Ook is nog niet duidelijk of de vader voldoende draagkracht heeft voor de verzorging van [de minderjarige] in combinatie met zijn ondersteunende rol aan de moeder.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging wordt onvoldoende weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders daar wisselend voor openstaan. Zij geven aan bereid te zijn mee te werken, maar lijken de zorgen over [de minderjarige] tegelijkertijd onvoldoende te erkennen en lijken de zorgen die worden geuit buiten zichzelf te leggen. Hierdoor lukt het de GI nog onvoldoende om hierover met de ouders in gesprek te gaan en de juiste hulpverlening in te zetten.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom noodzakelijk. De kinderrechter stelt [de minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.5.
Gelet op het voorgaande is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] Het is van belang dat zicht komt op de opvoedvaardigheden en leerbaarheid van de ouders, zodat duidelijk wordt of de ouders in staat zijn om, al dan niet met hulp, [de minderjarige] de zorg en opvoeding te bieden die zij nodig heeft. Duidelijk is geworden dat dit zicht niet thuis verkregen kan worden. Het is noodzakelijk dat de ouders met [de minderjarige] geobserveerd worden in de dagelijkse structuur. De kinderrechter gaat er vanuit dat de GI, gelet op de zeer jonge leeftijd van [de minderjarige] , voortvarend te werk zal gaan en snel duidelijkheid creëert over waar [de minderjarige] met de ouders de komende periode zal verblijven om het benodigde inzicht in de vaardigheden van de ouders te verkrijgen. Daarbij benadrukt de kinderrechter dat ook de mogelijkheden van thuisplaatsing (met eventuele intensieve ambulante begeleiding) serieus overwogen moeten worden, indien de komende periode blijkt dat thuisplaatsing zonder de vader niet haalbaar is, maar met de ouders gezamenlijk wel. De GI dient daarvoor in het oog te houden dat “niet slecht” daarvoor – bij deze liefdevolle en welwillende ouders – voldoende kan zijn voor plaatsing thuis, mits dat uiteraard in het belang van [de minderjarige] is. De kinderrechter verleent een machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij een gezinsgerichte voorziening voor de duur van drie maanden.
5.6.
De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.8.
Nu de kinderrechter het verzoek van de Raad tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] heeft toegewezen, heeft de GI geen belang meer bij haar verzoek tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] en wijst de kinderrechter het verzoek van de GI om die reden af.
6.
De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt
[de minderjarige]onder toezicht van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Haarlem,
van 6 februari 2026 tot 6 februari 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 23 januari 2026
tot 23 april 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het verzoek van de GI af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026 door
mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A. Fröberg als griffier, en op schrift gesteld op 29 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.