ECLI:NL:RBNHO:2026:993

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
15/153608-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot zware mishandeling met mes ondanks betoog noodweer

Op 17 mei 2025 heeft de verdachte te Heerhugowaard met een opengeklapt mes geprobeerd het slachtoffer in de rug te steken, hetgeen niet is voltooid. De verdachte voerde noodweer aan, maar de rechtbank achtte dit niet aannemelijk vanwege tegenstrijdige verklaringen en gebrek aan steun in het dossier.

De rechtbank verklaarde het ten laste gelegde feit bewezen en kwalificeerde het als poging tot zware mishandeling. Er werden geen strafuitsluitingsgronden gevonden, waardoor de verdachte strafbaar werd verklaard.

De officier van justitie vorderde een werkstraf van 120 uur, waarvan 50 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden. De rechtbank volgde dit grotendeels, rekening houdend met de ernst van het feit, de positieve ontwikkeling van de verdachte en het lage recidiverisico.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €2.266,80 voor materiële en immateriële schade, welke volledig werd toegewezen inclusief wettelijke rente en proceskosten. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur, waarvan 50 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals begeleiding door de jeugdreclassering en contactverboden. Het geschorste bevel tot gevangenhouding werd opgeheven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur werkstraf (waarvan 50 uur voorwaardelijk) met bijzondere voorwaarden en volledige schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/153608-25
Uitspraakdatum: 3 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis(P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 20 januari 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] ),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] ;
  • wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J. Kleiman, advocaat te Noord-Scharwoude;
  • wat [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad);
  • wat [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna te noemen: de jeugdreclassering)
naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 mei 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [de benadeelde partij] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gepakt, dit heeft opengeklapt en
vervolgens met dat opengeklapte mes in zijn hand heeft uitgehaald naar die [de benadeelde partij] ,
waarbij die [de benadeelde partij] in/op zijn rug, althans zijn lichaam, is gestoken/gesneden/geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat
hij op 17 mei 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard,
ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om aan [de benadeelde partij] ,
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
een mes heeft gepakt, dit heeft opengeklapt en vervolgens met dat opengeklapte mes in zijn hand heeft uitgehaald naar die [de benadeelde partij] ,
waarbij die [de benadeelde partij] in zijn rug is gestoken of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging zijn verbeterd. Volgens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders aan de verdachte ten laste is gelegd. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

De verdachte heeft verklaard dat hij uit zelfverdediging heeft gehandeld. Hij heeft (kort gezegd) verklaard dat hij pas zijn mes heeft getrokken nadat hij bij het water in het nauw was gedreven en dat hij vervolgens tijdens de worsteling de aangever met zijn mes heeft geraakt. De rechtbank is van oordeel deze lezing van de gebeurtenissen niet aannemelijk is geworden. De verklaringen van de verdachte hierover in het vooronderzoek en ter terechtzitting zijn immers op meerdere punten tegenstrijdig, komen niet overeen met de verklaringen van aangever [de benadeelde partij] en getuigen [de getuige 1] en [de getuige 2] en vinden ook overigens geen steun in het strafdossier. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.
Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar en levert op: poging tot zware mishandeling.

5.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarvan 50 (vijftig) uren voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en met een proeftijd van 2 (twee) jaren, onder de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad, met uitzondering van het contactverbod met de medeverdachte. Ook is gevorderd dat het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur gelijk aan het voorarrest, met aftrek van de tijd die de verdachte inverzekeringstelling en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en daarnaast van een voorwaardelijke werkstraf, onder de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen sanctie rekening gehouden met de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
6.3.1.
Aard en ernst van het feit
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een mes in zijn onderrug te steken. Het is een kwestie van geluk dat het lichamelijke letsel bij het slachtoffer relatief beperkt is gebleven. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten niet alleen lijden onder de pijn en de schrik van het moment van het delict, maar ook vaak nog lange tijd daarna last kunnen hebben van gevoelens van angst en onveiligheid en ongemakken kunnen ervaren als gevolg van het delict. Zo blijkt uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij dat het slachtoffer last heeft gehad van nachtmerries en angsten. Ook kon het slachtoffer na het delict niet fietsen, scooter rijden en vooroverbuigen om te bidden. Voor deze gevolgen is de verdachte verantwoordelijk.
6.3.2.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
  • het op naam van de verdachte staand uittreksel Justitiële Documentatie van 9 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit;
  • het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 15 januari 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad.
Dit rapport van de Raad houdt – kort en zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
Uit het raadsonderzoek komt naar voren dat de verdachte een positieve ontwikkeling laat zien. Hij staat in goed contact met de jeugdreclassering en zijn coach van Inspire Amsterdam en heeft zich ook verder goed aan de schorsingsvoorwaarden gehouden. Op de meeste domeinen worden dan ook geen zorgen gezien. Wel maakt de Raad zich zorgen over de impulsieve houding van de verdachte ten tijde van het incident en de slaapproblemen die hij ervaart. De Raad vindt het daarom belangrijk dat de jeugdreclassering betrokken blijft en dat zicht wordt gehouden op de dagbesteding, contacten en de geestelijke gezondheid van de verdachte. Verder vindt de Raad het belangrijk dat de coach vanuit Inspire Amsterdam betrokken blijft, zodat de verdachte handvaten krijgt om de juiste keuzes te maken en leert ontspannen. Omdat de verdachte een consequentie dient te ervaren voor zijn delictgedrag, adviseert de Raad tot oplegging van een deels voorwaardelijke werkstraf, onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan de ambulante coaching vanuit Inspire Amsterdam, meewerkt aan het behouden van een dagbesteding en zich houdt aan de contactverboden met de medeverdachte en het slachtoffer. Gelet op de positieve ontwikkeling van de verdachte, het lage risico op recidive en de omstandigheid dat de verdachte zich gemotiveerd toont om te werken aan zijn toekomst, ziet de Raad geen meerwaarde in het opleggen van een jeugddetentie aan de verdachte, ook niet in voorwaardelijke vorm.
De Raad heeft het advies ter terechtzitting gehandhaafd.
Namens de jeugdreclassering is ter terechtzitting het volgende naar voren gebracht. Het advies van de jeugdreclassering is anders dan de Raad, in die zin dat de jeugdreclassering het toezicht en de begeleiding niet nodig acht. Daarbij heeft de jeugdreclassering meegewogen dat bepaalde externe factoren, zoals de betrokkenheid van de jeugdreclassering en de contactverboden met het slachtoffer en de medeverdachte, zorgen voor vertrouwen, veiligheid en zekerheid bij de verdachte. De jeugdreclassering vertrouwt er echter op dat de verdachte het ook in de toekomst goed blijft doen, gezien zijn motivatie om iets van zijn leven te maken.
De rechtbank heeft verder ook rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte sinds zijn schorsing niet in aanraking is gekomen met politie en justitie voor (andere) strafbare feiten.
6.3.3.
Op te leggen sanctie
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het volgende oordeel.
In zijn algemeenheid geldt dat bij een feit zoals dit, te weten een poging tot zware mishandeling met behulp van een wapen, een lange onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf passend en geboden is. De rechtbank ziet in de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het rapport van de Raad en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aanleiding om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken. Anders dan door de raadsman betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een directe consequentie moet ervaren voor zijn gedrag.
Alles overwegende acht de rechtbank het passend en geboden aan de verdachte een werkstraf van het hierna te noemen aantal uren op te leggen. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van 2 (twee) jaren. Ook acht de rechtbank verplicht contact met de jeugdreclassering, ambulante begeleiding door Inspire Amsterdam of een soortgelijke instantie, behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van school of werk, en een contactverbod met het slachtoffer noodzakelijk. Voorwaarden van die strekking zullen aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen werkstraf worden verbonden. De voorwaardelijke straf dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank zal ook bepalen dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 19 (negentien) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht.
Tot slot zal de rechtbank bepalen dat het onvoorwaardelijke deel van de werkstraf binnen een termijn van 9 (negen) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.
6.3.4.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot gevangenhouding van de verdachte opheffen.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [de benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.266,80 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het hierboven bewezen verklaarde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit € 290,- voor het eigen risico van de zorgverzekering, € 350,- voor het blauwe trainingsjack van Palm Angels en € 126,80 voor de door de ouders van de benadeelde partij gemaakte reiskosten (verplaatste schade). De gestelde immateriële schade is begroot op € 1.500,-.
Daarnaast heeft benadeelde partij verzocht de verdachte in de proceskosten te veroordelen en een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de gevorderde materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, en tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Ook een vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Overigens is de vordering door de verdediging niet betwist. De rechtbank zal de vordering daarom geheel toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: poging tot zware mishandeling) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 45, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 (zestig) dagen jeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot
50 (vijftig) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen jeugddetentie,
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van
2 (twee) jaren.
Bepaalt dat het onvoorwaardelijke deel van deze werkstraf binnen een termijn van 9 (negen) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • zich zal melden bij de jeugdreclassering van De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd aan [adres] , op de door de jeugdreclassering te bepalen plaatsen en tijden, zo frequent en zolang die instelling dit noodzakelijk acht;
  • zal meewerken aan de ambulante coaching vanuit Inspire Amsterdam, of een soortgelijke door de jeugdreclassering aan te wijzen hulpverleningsorganisatie, zolang de jeugdreclassering dit in overleg met die organisatie noodzakelijk acht;
  • zal meewerken aan het behouden van een dagbesteding in de vorm van school of werk, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
  • op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal hebben of zoeken met het slachtoffer, [de benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] ), zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Alkmaar, een gecertificeerde instelling die de jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden;
- medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 19 (negentien) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht en met dien verstande dat voor elke dag die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht 2 (twee) uren taakstraf, subsidiair 1 (één) dag jeugddetentie, in mindering worden gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij]geleden schade tot een bedrag van
€ 2.266,80, bestaande uit € 766,80 voor de materiële en € 1.500,00 voor de immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.266,80, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 (nul) dagen gijzeling.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Heft op het reeds geschorste bevel tot gevangenhouding van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.E. Voskens, voorzitter,
mr. A.K. Mireku en mr. E.K.A. van den Bos, allen kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.N. Inge,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 februari 2026.
mr. Van den Bos is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.