Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:999

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
12013782 \ KG EXPL 25-172
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering werknemer achterstallig loon en wettelijke verhoging

Een werknemer vordert betaling van achterstallig loon over de periode van 1 augustus tot 31 december 2025 en maandelijkse loonbetalingen vanaf 31 december 2025, inclusief wettelijke verhogingen en rente. De werkgever is niet verschenen op de zitting, waardoor verstek is verleend.

De kantonrechter stelt vast dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege het ontbreken van inkomen gedurende vijf maanden. De feiten en omstandigheden zijn voldoende aannemelijk en de vordering zal waarschijnlijk in een bodemprocedure worden toegewezen.

De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot betaling van het achterstallige loon, de wettelijke verhoging van 50% over de betreffende maanden, de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging, rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 12013782 \ KG EXPL 25-172 (SJ)
Vonnis in kort geding van 22 januari 2026(bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.J. Butter,
tegen
[gedaagde] h.o.d.n. [naam],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen
De zaak in het kort
In deze zaak vordert een werknemer om een werkgever te veroordelen tot betaling van onder meer achterstallig loon. De kantonrechter wijst de vorderingen van de werknemer toe omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. Daarbij weegt mee dat werkgever niet op de zitting is verschenen en tegen hem verstek is verleend.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de mondelinge behandeling van 22 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [gedaagde] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.

2.De vordering

2.1.
[eiser] vordert – na vermindering van eis – dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 16.683,35 bruto aan achterstallig loon over de periode van 1 augustus tot 31 december 2025 en tot betaling van € 3.470,14 bruto per maand vanaf 31 december 2025 onder verrekening van het loon dat [eiser] maandelijks ontvangt, tot het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd. Verder vordert [eiser] de wettelijke verhoging van 50% over het loon over augustus tot en met november 2025, alsmede van de daaropvolgende maanden vanaf diverse data van opeisbaarheid, de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf de dag van dagvaarding en tot betaling van de proceskosten.
2.2.
[eiser] stelt – samengevat – dat hij sinds 1 augustus 2025 geen loon meer heeft ontvangen, dat hij ziek is, dat [gedaagde] weigert om een bedrijfsarts in te schakelen en dat [gedaagde] niet reageert op zijn voorstellen om de situatie op te lossen. [eiser] heeft per 6 januari 2026 een dienstbetrekking voor bepaalde tijd aanvaard met een proeftijd van één maand. Omdat hij ziek is voor zijn eigen werk en het dienstverband met [gedaagde] niet is geëindigd, ziet [eiser] de werkzaamheden die hij op dit moment uitoefent als werkzaamheden in het kader van re-integratie.

3.De beoordeling

3.1.
Voor een vordering in kort geding is een spoedeisend belang vereist. Dit is voldoende gebleken, omdat [eiser] gedurende vijf maanden geen inkomen heeft gehad.
3.2.
Verder is voor toewijzing van de vordering in dit kort geding vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemproce-dure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
3.3.
De kantonrechter is van oordeel dat de vorderingen van [eiser] zich lenen voor een kortgedingprocedure. Verder is de kantonrechter van oordeel dat de vorderingen van [eiser] niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, zodat deze toewijsbaar zijn, zoals hierna onder de beslissing vermeld.
3.4.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
135,00
Totaal
1.039,00
3.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van het loon over de periode van 1 augustus 2025 tot 31 december 2025, zijnde € 16.683,35 bruto;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van het loon vanaf 31 december 2025, zijnde € 3.470,13 bruto per maand, onder verrekening van het loon dat [eiser] maandelijks ontvangt, tot het dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging van 50% over het loon over augustus tot en met oktober 2025, zijnde € 5.005,00 bruto, alsmede over het loon van november 2025, zijnde € 1.688,34 bruto, en over de daaropvolgende maanden, voor zover niet tijdig wordt betaald, te rekenen vanaf de data van opeisbaarheid;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over de hiervoor toegewezen bedragen vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele betaling;
4.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.039,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
4.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, in samenwerking met
mr. S.C. Jacobs, juridisch adviseur/griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.