Op 6 maart 2013 verleende het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland een omgevingsvergunning aan Stichting De Bijzondere Onderneming voor het aanleggen van een uitweg op een locatie in Smallingerland. Verzoekers, bewoners van de straat waarop de uitweg uitkomt, maakten bezwaar tegen dit besluit en verzochten op 23 april 2013 de voorzieningenrechter om schorsing van de vergunning.
Tijdens de zitting op 17 juni 2013 werd besproken of verzoekers als belanghebbenden konden worden aangemerkt; de voorzieningenrechter ging hieraan voorbij en nam aan dat ten minste twee verzoekers belanghebbenden zijn. De voorzieningenrechter gaf een voorlopig oordeel over het schorsingsverzoek, waarbij werd vastgesteld dat de omgevingsvergunning alleen geweigerd kan worden op grond van specifieke weigeringsgronden uit de Algemene Plaatselijke Verordening Smallingerland.
Verzoekers stelden dat de vergunning geweigerd moest worden vanwege de bruikbaarheid en het veilige gebruik van de weg en het uiterlijk aanzien van de omgeving, maar onderbouwden deze stellingen onvoldoende. Het bestemmingsplan dat de uitweg toestaat, was niet geschorst. De voorzieningenrechter concludeerde dat het schorsingsverzoek geen gegronde redenen bevatte en wees het af. Tevens werd een verzoek om verwijdering van bestaande uitritten buiten beschouwing gelaten omdat dit niet binnen de reikwijdte van het geding viel.