Verdachte werd beschuldigd van witwassen van aanzienlijke geldbedragen die via zijn bankrekening waren gegaan in de periode van juli 2009 tot november 2012. Het openbaar ministerie stelde dat verdachte wist dat het geld afkomstig was uit criminele activiteiten, althans dat hij dat redelijkerwijs had moeten vermoeden.
Tijdens de terechtzittingen op 22 april en 11 juli 2013 werd vastgesteld dat verdachte geld had uitgeleend aan een medeverdachte en dit met vergoeding terugontving. De verklaringen van verdachte waren consistent en niet hoogst onwaarschijnlijk. Er was geen bewijs dat het geld uit een misdrijf afkomstig was.
De officier van justitie en de verdediging waren het eens over vrijspraak wegens ontbreken van opzet. De rechtbank oordeelde dat het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen konden worden en sprak verdachte vrij. De rechtbank nam daarbij mee dat verdachte geen vermoeden had van criminele herkomst van het geld en dat de bedragen over een lange periode werden terugbetaald.
De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Noord-Nederland op 25 juli 2013, met drie rechters en een griffier aanwezig.