Uitspraak
AWB 13/628 WVW (beroep)
Tegen dit besluit heeft verzoekster op 11 maart 2013 bezwaar gemaakt.
Met de uitspraak van de AbRS van 9 januari 2013 is dat vermoeden niet weggenomen.
Bovendien is bij besluit van 29 januari 2010, welk besluit onherroepelijk is geworden, al door verweerder besloten tot oplegging van een onderzoek naar verzoeksters rijgeschiktheid.
Van overschrijding van een termijn is geen sprake. Hoewel de in artikel 131, eerste lid, van de WvW 1994 genoemde beslistermijn van 4 weken na de ontvangst op 25 januari 2010 van de mededeling van de korpschef ex artikel 130 van Pro de WvW is overschreden, brengt dit niet met zich mee dat verweerder niet meer bevoegd is om een besluit te nemen als het onderhavige. Verweerder acht in dat kader van belang dat verweerder voortvarend heeft gehandeld en dat het tijdsverloop is veroorzaakt door de procedures die door verzoekster zijn gestart. Onder verwijzing naar uitspraken van Rechtbank Leeuwarden van 6 december 2012 (Awb 12/1222) is verweerder van mening dat geen sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of enig ander beginsel van behoorlijk bestuur. Evenmin is sprake van een schending van artikel 6 van Pro het EVRM, nu geen sprake is van een criminal charge.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster op zich zelf een spoedeisend belang heeft bij een te treffen voorziening. Als gevolg van het bestreden besluit wordt verzoekster geconfronteerd met een uitvoeringshandeling van verweerder, zijnde de oproep bij de arts Douma. Wat er ook zij van de vraag hoe een dergelijke oproep moet worden gekwalificeerd, de voorzieningenrechter is van oordeel dat de vraag of verweerder haar een medisch onderzoek kan opleggen, getoetst moet kunnen worden voordat dit onderzoek heeft plaatsgehad. Niet alleen is een dergelijk onderzoek belastend voor verzoekster, maar ook heeft zij, gelet op de verstrekkende gevolgen van het niet verschijnen op de afspraak voor dit onderzoek, een rechtens te honoreren belang bij het verkrijgen van een (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter over de legitimiteit van dat onderzoek.
Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat, naar ter zitting door de gemachtigde van verweerder ook is erkend, niet of nauwelijks denkbaar is dat op basis van het bestreden besluit enig ander onderzoek naar de rijgeschiktheid van verzoekster ten tijde in geding (derhalve ten tijde van de aanhouding in 2010) kan plaatsvinden, zonder dat het tijdsverloop tot de hiervoor genoemde praktische problemen leidt.
De voorzieningenrechter komt dan ook tot de slotsom dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het is genomen in strijd met het motiveringsbeginsel en het beginsel dat besluiten zorgvuldig moeten worden voorbereid.