Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
vonnis van de kantonrechter d.d. 1 oktober 2013
[eiser],
Procesverloop
Motivering
nietde hem opgedragen rit naar Antwerpen gemaakt.
bijzondereomstandigheden die [eiser] hebben bewogen tot het aangaan van de vaststellingsovereenkomst, is onvoldoende onderbouwd. De omstandigheid dat [eiser] niet eerder met het bijltje van het voeren van onderhandelingen over een beëindiging van het dienstverband had gehakt, betekent op zichzelf nog niet dat hij, zoals hij stelt, door onervarenheid als bedoeld in artikel 3:44 BW Pro is bewogen tot het aangaan van de vaststellingsovereenkomst. Uiteraard verkeerde [eiser] als (ex-)werknemer in een afhankelijkheidsrelatie tot CTG. Dat nu vloeit echter voort uit de (wettelijke) gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer. Deze vorm van afhankelijkheid betekent zonder voldoende `nadere onderbouwing ter zake, die ontbreekt, echter niet dat [eiser] louter daarom werd bewogen tot het aangaan van de vaststellingsovereenkomst. [eiser] was in het geheel niet verplicht om akkoord te gaan met een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van het dienstverband, ook niet in het licht van het gegeven ontslag op staande voet. De afweging om de vaststellingsovereenkomst wel of niet te tekenen en het dienstverband op die manier te beëindigen, diende [eiser] zelf te maken. Daarbij is ook van belang dat niet gebleken is dat [eiser] het ontslag op staande voet destijds onterecht achtte. Van enig protest destijds door [eiser] tegen het ontslag op staande voet is niet gebleken. Pas achteraf heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Voorts heeft [eiser] onvoldoende feitelijk onderbouwd dat CTG hem onder druk heeft gezet om de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen. [eiser] heeft ook niet gemotiveerd onderbouwd dat hij - alvorens de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen - om bedenktijd heeft gevraagd en dat CTG hem deze toen niet wilde gunnen. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [eiser] de vaststellingsovereenkomst te lichtzinnig is aangegaan. [eiser] heeft ook niet onderbouwd dat de bijzondere omstandigheden die artikel 3:44 BW Pro vereist voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden voor CTG kenbaar waren. Naar het oordeel van de kantonrechter wijst het handelen van [eiser] ná het sluiten van de vaststellingsovereenkomst er ook niet bepaald op dat hij van mening was dat deze overeenkomst door misbruik van omstandigheden zijdens CTG tot stand is gekomen. Indien dat wérkelijk zo zou zijn geweest, dan had het alleszins voor de hand gelegen dat [eiser] daartegen dadelijk had geprotesteerd. Een dergelijk protest heeft niet eerder dan medio oktober 2011 voor de eerste keer plaatsgevonden. De wens van [eiser] om de vaststellingsovereenkomst alsnog aan te tasten lijkt niet te zijn ingegeven door enig bezwaar tegen het in de vaststellingsovereenkomst belichaamde einde van het dienstverband als zodanig, maar veeleer door de omstandigheid dat [eiser] alsnog een ontslagvergoeding wenst te verkrijgen.
bedongen. Deze stelling van [eiser] gaat er echter geheel aan voorbij dat voor het overeenkomen van een ontslagvergoeding "it takes two", kortom dat daarvoor ook de instemming van CTG vereist was. Op geen enkele manier is gebleken dat die bereidheid bij CTG aanwezig zou zijn geweest. De gevorderde ontslagvergoeding ontbeert derhalve een deugdelijke grondslag.