De zaak betreft een geschil tussen verhuurder en huurder over huurachterstanden, schade aan de woning en de ontruiming van het gehuurde appartement. De huurder had een aanzienlijke huurachterstand opgebouwd en was enige tijd gedetineerd, waardoor hij het appartement niet kon gebruiken. De verhuurder vorderde betaling van achterstallige huur, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming met inzet van de sterke arm.
De huurder betwistte de omvang van de huurachterstand en schade, stelde dat hij geen toegang tot de woning had vanwege slotvervanging en dat de nutsvoorzieningen te hoog waren voorgerekend. De kantonrechter oordeelde dat de huurachterstand voldoende was onderbouwd en dat detentie en verminderd huurgenot voor risico van de huurder kwamen. Het opschortingsrecht werd verworpen omdat geen sprake was van een gebrek dat de huurder had gemeld.
De ontbinding van de huurovereenkomst werd toegewezen en de ontruiming binnen 30 dagen bevolen. De vordering tot schadevergoeding wegens vernielingen werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs. De machtiging om zelf met inzet van de sterke arm te ontruimen werd eveneens afgewezen; de deurwaarder mag dit exclusief doen en heeft de bevoegdheid om politie in te schakelen zonder rechterlijke machtiging.
In reconventie werd de verhuurder veroordeeld om binnen veertien dagen gespecificeerde afrekeningen van nutsvoorzieningen over 2011 en 2012 te verstrekken onder verbeurte van een dwangsom. De proceskosten werden gecompenseerd.