ECLI:NL:RBNNE:2013:6850

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 september 2013
Publicatiedatum
12 november 2013
Zaaknummer
136788 /FA RK 12-2186
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet Werk en BijstandHR beschikking 19 oktober 1979
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling kinderalimentatie bij niet-samenwonende ouders zonder inkomensgegevens

De vrouw verzocht om kinderalimentatie van €500 per maand voor het minderjarige kind, waarvan de man middels DNA-onderzoek als vader werd vastgesteld.

De man betwistte de behoefte van het kind en stelde dat deze slechts €267,37 per maand bedroeg, gebaseerd op het verschil tussen WWB-uitkeringen voor alleenstaanden en éénoudergezinnen. De rechtbank verwierp deze redenering, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad uit 1979, en stelde dat de behoefte van het kind op gebruikelijke wijze moet worden berekend.

Omdat de man zijn inkomensgegevens niet heeft overgelegd ondanks herhaalde verzoeken, kon de rechtbank geen middeling toepassen en stelde de behoefte en draagkracht vast op €500 per maand, conform het verzoek van de vrouw.

De man voerde een faillissement aan en betwistte draagkracht, maar leverde geen recente inkomsteninformatie. De rechtbank besloot dat het ontbreken van gegevens voor zijn rekening en risico komt.

De rechtbank bepaalde dat de man vanaf 12 oktober 2012 €500 per maand aan kinderalimentatie moet betalen, verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en bepaalde dat de kosten van het DNA-onderzoek uit de rijkskas worden voldaan. Proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: De man moet vanaf 12 oktober 2012 €500 per maand aan kinderalimentatie betalen aan de vrouw.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht
Locatie Groningen
zaaknr.: 136788 /FA RK 12-2186
beschikking d.d. 3 september 2013
in de zaak van:

[verzoekster]

hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.A.M. Staal-Olislaegers,
en
[verweerder]
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M. Bentum.

PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 19 maart 2013 een tussenbeschikking gegeven.
Naar aanleiding van voornoemde beschikking heeft Sanquin, diagnostiek, te Amsterdam, een rapport, d.d. 3 mei 2013 uitgebracht omtrent het door hen in de onderhavige zaak verrichte DNA-onderzoek, ter griffie van de rechtbank binnengekomen op 6 mei 2013.
De vrouw heeft op 21 mei 2013 een akte genomen.
De man heeft op 4 juni 2013 een akte genomen.
De vrouw heeft op 9 augustus 2013 nadere financiële gegevens overgelegd.
De man heeft bij brief, binnengekomen ter griffie op 12 augustus 2013, financiële stukken in het geding gebracht.
De rechtbank heeft de behandeling van het geding voortgezet ter zitting met gesloten deuren op 21 augustus 2013, waarbij de vrouw, bijgestaan door haar raadsvrouw en de advocaat van de man, zijn verschenen en gehoord. De man is niet verschenen.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Op 21 februari 2003 is[-]het minderjarige kind [A.]geboren.
Beoordeling door de rechtbank
Uit het door Sanquin uitgevoerde DNA-onderzoek is geconcludeerd dat de man voor
99,99 %, dus aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, de vader is van voornoemde minderjarige.
De rechtbank is van oordeel dat de man, die thans als verwekker van[B.] dient te worden aangemerkt, onderhoudsplichtig is ten opzichte van[B.].
Behoefte van[B.]
Namens de man is gesteld dat, nu partijen nimmer hebben samengewoond, de behoefte van[B.] dient te worden vastgesteld op € 267,37. Dit is het verschil tussen een uitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand (WWB) voor alleenstaanden, en een WWB-uitkering voor een éénouder gezin. Indien de behoefte van de minderjarige hoger wordt vastgesteld en de kinderalimentatie eveneens conform de behoefte zal zijn, dan zal dat inhouden dat de man een deel van de kosten van het levensonderhoud van de vrouw betaalt, wanneer zij in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de WWB. Het bedrag dat door een alimentatieplichtige wordt betaald in de kosten van verzorging en opvoeding van een minderjarige wordt immers gekort op de WWB-uitkering.
De rechtbank zal deze redenering van de man niet volgen op grond van het volgende.
De Hoge Raad heeft bepaald dat voor splitsing van de aan bijstand toegekende bedragen in gedeelten die geacht zouden moeten worden ten behoeve van één of meer bepaalde gezinsleden te strekken, geen plaats is en dat daarom de bovengrens van het bedrag dat kan worden verhaald, niet moet worden gezocht in het gedeelte van de bijstandsuitkering, dat geacht moet worden aan het kind te zijn toegekend, maar rechtstreeks in de behoefte van het kind (HR d.d. 19 oktober 1979).
Dit oordeel van de Hoge Raad volgend houdt dit in dat de behoefte van een minderjarige niet kan worden vastgesteld op het verschil tussen een WWB-uitkering voor een alleenstaande en een WWB-uitkering voor een éénoudergezin.
Een onlogisch gevolg van de redenering van de man zou voorts zijn dat de behoefte van een kind steeds zou kunnen wijzigen, afhankelijk van een situatie waarin de verzorgende ouder al dan niet recht heeft op WWB uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande van oordeel dat de behoefte van[B.] op de gebruikelijke wijze berekend dient te worden op basis van de tabel ‘eigen aandeel kosten van kinderen’, zoals deze gold tot 1 april 2013 en dat de wijze van berekening als namens de man voorgesteld onjuist is.
Partijen hebben nimmer samengewoond. Dit houdt in dat de behoefte van[B.] moet worden vastgesteld door middeling van de vastgestelde behoefte op basis van het inkomen van ieder van partijen.
De rechtbank beschikt echter niet over de inkomensgegevens van de man, nu de man deze, ondanks een herhaald verzoek daartoe, niet heeft overgelegd. De hierboven omschreven middeling kan om die reden niet plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit voor rekening en risico van de man te komen.
De rechtbank zal daarom de behoefte van[B.] vaststellen op € 500,-, overeenkomstig het verzoek van de vrouw.
De draagkracht van de man
De man heeft gesteld dat hij, onder meer vanwege een faillissement, geen draagkracht heeft en daardoor niet in staat is bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van[B.].
De man heeft volstaan met het overleggen van een vonnis van de rechtbank Midden Nederland d.d. 7 mei 2013 waarbij het faillissement is uitgesproken van de besloten vennootschap Bedrijvenindex B.V. en een overzicht van de belastingschulden van voornoemde bv, maar heeft noch recente, noch zijn inkomensgegevens van de afgelopen jaren overgelegd.
De vrouw heeft aangevoerd dat de man nog inkomen genereert uit diverse andere besloten vennootschappen. Dit heeft zij echter niet nader onderbouwd.
Omdat de rechtbank niet beschikt over inkomensgegevens van de man en de man, ondanks verzoeken daartoe, geen informatie over zijn inkomen heeft verstrekt, is de rechtbank niet in staat de kinderalimentatie vast te stellen aan de hand van een draagkrachtberekening.
Ook dit dient naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van de man te komen.
Gelet hierop zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van[B.] vaststellen op € 500,- per maand, conform het verzoek van de vrouw.
Partijen procederen op toevoeging. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de onderzoekskosten van Sanquin Diagnostiek, vastgesteld op € 990,- uit ’s Rijks kas dienen te worden voldaan.
Omdat het een familierechtelijke procedure betreft zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna is vermeld.

BESLISSING

bepaalt dat de man met ingang van 12 oktober 2012 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige[B.] bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen,
€ 500,- per maand dient te betalen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte;
bepaalt dat de kosten van het DNA-onderzoek door Sanquin Amsterdam, ad € 990,- uit ’s Rijks kas worden voldaan, voor zover dat nog niet is geschied;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.J. Klijn en uitgesproken door deze, ter openbare zitting van 3 september 2013, in tegenwoordigheid van H.M. Kamphuis-van der Veer, griffier.
De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking, voor zover hierin een eindbeslissing is opgenomen, in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.
Voor de partij, die in deze procedure niet is verschenen, vangt de termijn van drie maanden aan na de betekening van deze beschikking aan hem/haar in persoon dan wel op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is bekend geworden.
Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daarover nader informeren.