Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.De procedure
- het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 26 augustus 2013,
- het verweerschrift.
Rechtbank Noord-Nederland
Verzoeker heeft verzet aangetekend tegen de betaling van het griffierecht van €274,00 in een civiele zaak, stellende dat het griffierecht op toevoegingsbasis had moeten worden berekend. Hij had het toevoegingsbewijs echter niet meegestuurd vanwege afwezigheid van de secretaresse.
De griffier had het reguliere griffierecht geheven omdat op het moment van heffing geen bewijs van toevoeging was overgelegd. Volgens de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) is het griffierecht verschuldigd bij indiening van het verzoekschrift, tenzij een afschrift van het besluit tot toevoeging of een verklaring van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand is overgelegd.
De rechtbank oordeelt dat het verzuim van verzoeker, het niet meesturen van het toevoegingsbewijs, aan hem kan worden toegerekend en dat de uitzonderingen in artikel 16 lid 2 en Pro 4 Wgbz niet van toepassing zijn. Daarom is het griffierecht terecht geheven en wordt het verzet ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het verzet tegen het griffierecht wordt ongegrond verklaard omdat het verzuim aan verzoeker kan worden toegerekend.