Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.De procedure
- het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 12 augustus 2013,
- het verweerschrift.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Noord-Nederland
Verzoeker diende een verzoekschrift in bij de rechtbank Noord-Nederland en voerde daarbij een aanvraag voor toevoeging mee. Na intrekking van het verzoekschrift overhandigde verzoeker geen definitieve toevoeging. De griffier stuurde daarop een aanvullende nota voor griffierecht van €199,00, welke verzoeker betaalde. Verzoeker stelde dat het griffierecht aangepast moest worden naar het tarief voor on- en minvermogenden op grond van artikel 16 Wgbz Pro.
De rechtbank beoordeelde dat volgens artikel 3 lid 4 Wgbz Pro het griffierecht bij indiening van het verzoekschrift verschuldigd is en binnen vier weken moet worden voldaan. Artikel 16 Wgbz Pro bepaalt dat het lagere griffierecht voor onvermogenden alleen geldt indien een afschrift van het besluit tot toevoeging of een verklaring van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wordt overgelegd. Hoewel een aanvraag voor toevoeging was ingediend, ontbrak een definitief besluit tot toevoeging bij intrekking van het verzoek.
De rechtbank concludeerde dat verzoeker gehouden was het besluit tot toevoeging uiterlijk bij intrekking te overleggen, wat niet is gebeurd. Zonder deze stukken was er geen aanleiding om het lagere griffierecht toe te passen. Daarom was de aanvullende griffierechtheffing terecht en werd het verzet ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het verzet tegen de aanvullende griffierechtheffing wordt ongegrond verklaard.