AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Kantonrechter onbevoegd in geschil over lidmaatschapsverhouding en schadevordering tegen CNV
In deze kortgedingprocedure vordert eiser een voorschot op schadevergoeding van CNV wegens onrechtmatig handelen in het kader van de afwikkeling van een arbeidsovereenkomst met diens werkgever. Eiser stelt dat de kantonrechter bevoegd is op grond van de nauwe samenhang met de arbeidsovereenkomst en diverse artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De kantonrechter overweegt dat de rechtsverhouding tussen eiser en CNV een lidmaatschapsverhouding betreft, waardoor de kantonrechter niet bevoegd is op grond van artikel 93 sub c RvPro. Ook is de vordering onbepaald en betwist, zodat absolute bevoegdheid op grond van artikel 93 sub a ofPro b Rv ontbreekt. Artikel 254 lid 4 RvPro is niet van toepassing.
Hoewel artikel 71 RvPro verwijzing bij onbevoegdheid regelt, is dit niet geschreven voor voorlopige voorzieningen. Het hof Amsterdam heeft echter geoordeeld dat verwijzing naar de bevoegde rechter wel moet plaatsvinden om een instantie niet te laten ontbreken. De kantonrechter verwijst daarom de zaak naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, sector handelszaken.
Partijen worden gewezen op het vereiste van advocaatbijstand na verwijzing en dat verdere beslissingen, waaronder over proceskosten, worden aangehouden.
Uitkomst: Kantonrechter verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland.
Uitspraak
RECHTBANK GRONINGEN
Sector kanton
Locatie Groningen
Zaak\rolnummer: 2441237 VV EXPL 13-133
Vonnis in kort geding d.d. 15 november 2013
inzake
[naam], wonende te [plaatsnaam],
eiser, hierna [eiser] te noemen,
gemachtigde mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen,
tegen
de vereniging Vereniging CNV Dienstenbond, statutair gevestigd te 2132 JJ Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, Polarisavenue 175,
gedaagde, hierna het CNV te noemen,
gemachtigde mr. R. Uhlenbusch, advocaat te Utrecht (postbus 24004, 3502 MA).
PROCESGANG
Bij dagvaarding met producties heeft [eiser] bij wege van voorlopige voorziening de veroordeling van het CNV gevorderd tot betaling van:
een bedrag van € 15.000,00 als voorschot op een schadevergoeding terzake van kosten rechtsbijstand;
een bedrag van € 5.000,00 als voorschot op een schadevergoeding terzake van gelden en nog te lijden immateriële schade;
de kosten van de procedure.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 november 2013 in aanwezigheid van [eiser], bijgestaan door mr. B. van Dijk voornoemd als gemachtigde alsmede mr. S. Borger en mr. W.M. Breunesse namens het CNV, bijgestaan door mr. R. Uhlenbusch voornoemd als gemachtigde. Op de terechtzitting hebben partijen zich op verzoek van de kantonrechter uitgelaten over de bevoegdheid van deze kantonrechter. Van het terzake verhandelde is aantekening gehouden door de griffier.
Direct na de behandeling heeft de kantonrechter mondeling vonnis gewezen op hierna vermelde wijze.
OVERWEGINGEN
Ten aanzien van de bevoegdheid
1.1. [eiser] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangevoerd dat de ingestelde schadevorderingen zijn gebaseerd op het onrechtmatig handelen van het CNV in het kader van de afwikkeling c.q. nakoming van de tussen [eiser] en diens werkgever Storteboom Kornhorn BV bestaande arbeidsovereenkomst. Gelet op de nauwe samenhang met een arbeidsovereenkomst, stelt [eiser] zich op het standpunt dat de kantonrechter van deze rechtbank ingevolge het bepaalde in de artikelen 93 sub c en 100 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zowel absoluut als relatief bevoegd is om van de door hem ingestelde vorderingen kennis te nemen. Subsidiair heeft [eiser] aangevoerd dat de kantonrechter van deze rechtbank voorts haar bevoegdheid ontleent krachtens het bepaalde in artikel 101 RvPro en/of artikel 102 RvPro. Het CNV heeft gemotiveerd betwist dat de kantonrechter alhier bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen. De kantonrechter overweegt als volgt.
1.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 254 lid 4 RvPro is de kantonrechter in zaken die ten gronde door haar worden behandeld en beslist, ook bevoegd tot het geven van een voorziening.
1.3. Volgens het bepaalde in de leden sub a t/m sub d van artikel 93 RvPro worden - kort weergegeven - door de kantonrechter behandeld en beslist:
a. zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00, tenzij de rechtstitel dat bedrag te boven gaat en die rechtstitel wordt betwist;
b. zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00;
c. zaken betreffende een arbeidsovereenkomst;
d. andere zaken ten aanzien waarvan de wet dit bepaalt.
1.4. Vast staat dat [eiser] uit hoofde van zijn lidmaatschap bij het CNV en de toepasselijke Statuten en het Huishoudelijk Reglement van het CNV tegen bijzondere voorwaarden aanspraak kan maken op rechtskundig advies en bijstand van het CNV. De aard van de rechtsverhouding tussen [eiser] en het CNV betreft derhalve een lidmaatschapsverhouding. Dit betekent dat artikel 93 sub c RvPro geen bevoegdheid schept in deze rechtsverhouding tussen partijen.
1.5. Gelet op de omstandigheid dat [eiser] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn vorderingen niet heeft willen beperken tot een bedrag van € 25.000,00 en de rechtstitel daarvan door het CNV is betwist, brengt mee dat de hoogte van de vordering onbepaald is. Daarop gelet kan de absolute bevoegdheid ook niet worden ontleend aan het bepaalde in artikel 93 sub a danPro wel sub b Rv.
1.6. Uit het voorgaande volgt dat artikel 254 lid 4 RvPro toepassing mist en dat de kantonrechter, volgens de letter van deze wetsbepaling, niet bevoegd is om van de zaak kennis te nemen.
1.7. Artikel 71 RvPro voorziet weliswaar om in geval van onbevoegdheid van de kantonrechter de zaak te verwijzen naar de bevoegde rechter, maar die bepaling is in beginsel niet geschreven voor procedures inzake voorlopige voorzieningen. Bij niet gepubliceerd arrest heeft het gerechtshof te Amsterdam evenwel in hoger beroep beslist, dat in zo’n geval toch verwezen moet worden naar de gewone voorzieningenrechter, omdat partijen anders een instantie zouden missen. De kantonrechter zal zich daarnaar richten en de zaak verwijzen in de stand waarin deze zich bevindt, met zoveel mogelijk analoge toepassing van het bepaalde in artikel 71 lid 4 RvPro. Met betrekking tot de aanwijzing van de terzake relatief bevoegde rechter, overweegt de kantonrechter als volgt.
1.8. Ingevolge de hoofdregel van artikel 99 RvPro is relatief bevoegd de rechter van de woonplaats van het CNV. Op grond van het bepaalde in artikel 101 RvPro is in consumentenzaken mede bevoegd de rechter van de woonplaats van de consument. Aangezien hiervoor reeds is overwogen dat [eiser] uit hoofde van zijn lidmaatschapsverhouding met het CNV niet kan worden beschouwd als een consument in de zin van artikel 101 RvPro, kan aan dat wetsartikel geen alternatieve relatieve bevoegdheid worden ontleend.
1.9. Daarnaast schept artikel 102 RvPro een alternatieve bevoegdheid, in die zin dat in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, mede bevoegd is de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Dit betreft derhalve niet de plaats waar de gelaedeerde vermogenschade heeft plaatsgevonden, zoals door [eiser] is betoogd. Aangezien omtrent de plaats van schadebrengende feit niets is gesteld of gebleken, kan ook aan het bepaalde in artikel 102 RvPro geen alternatieve bevoegdheid worden ontleend.
1.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter de zaak zal verwijzen in de stand waarin deze zich bevindt naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, afdeling Privaatrecht, sector handelszaken. Omtrent de proceskosten zal worden beslist zoals hierna is bepaald.
BESLISSING IN KORT GEDING
De kantonrechter:
verklaart zich onbevoegd om van de zaak kennis te nemen en verwijst deze op de voet van het bepaalde in artikel 71 RvPro. voor dagbepaling mondelinge behandeling naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, afdeling Privaatrecht, sector handelszaken;
verstaat dat een kopie van het procesdossier door de griffier van deze afdeling zo spoedig mogelijk wordt verstuurd aan het bureau kort geding van de afdeling Privaatrecht, sector handelszaken, van voormelde rechtbank;
partijen worden er nog op gewezen dat zij na deze verwijzing alleen nog door tussenkomst van een advocaat in rechte kunnen verschijnen en proceshandelingen mogen verrichten;
iedere verdere beslissing, waaronder die omtrent de tot nu toe verschenen proceskosten, wordt aangehouden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann, kantonrechter, en op 15 november 2013 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.