Op 26 juni 2012 sloten eiseres en gedaagde een rechtsbijstandverzekeringsovereenkomst met een looptijd van 36 maanden en een jaarpremie van € 2.450,20. Gedaagde betaalde deze premie niet en stelde de betaling op vanwege vermeende onterechte weigering van rechtsbijstand door eiseres.
Eiseres had twee verzoeken om rechtsbijstand afgewezen, omdat het eerste geschil uit 2011 dateerde en het tweede geschil verband hield met een faillissementssituatie, waardoor volgens de polisvoorwaarden geen dekking bestond. Gedaagde voerde daarnaast aan dat een aan haar gelieerde onderneming ten onrechte niet was meeverzekerd in 2011.
De rechtbank oordeelde dat gedaagde de premiebetaling niet mocht opschorten, omdat de weigering van rechtsbijstand gerechtvaardigd was op grond van de polisvoorwaarden. Ook het beroep op verrekening met een tegenvordering werd afgewezen, omdat de gegrondheid daarvan niet eenvoudig vast te stellen was.
De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van de premie, de wettelijke rente vanaf 17 juli 2012, en een deel van de buitengerechtelijke incassokosten. Tevens werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.