ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ3271

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
19/910690-12
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.H.A. Fransen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 Sr
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vervolging wegens frustreren omgangsregeling tussen ouders

De zaak betreft een strafrechtelijke procedure tegen een moeder die wordt beschuldigd van het onttrekken van haar minderjarige kinderen aan het wettig gezag van de vader door de omgangsregeling niet na te leven. De tenlastelegging betreft de periode van augustus tot oktober 2012, waarin de moeder de kinderen niet aan de vader heeft meegegeven in strijd met rechterlijke beschikking.

Tijdens de zitting heeft de politierechter vastgesteld dat de omgangsregeling reeds door civielrechtelijke dwangmaatregelen kan worden afgedwongen en dat de strafrechter pas in het uiterste geval moet ingrijpen. De politierechter oordeelt dat artikel 279 Sr Pro niet bedoeld is voor situaties waarin nog civielrechtelijke middelen beschikbaar zijn.

De officier van justitie had een voorwaardelijke gevangenisstraf en een civiele schadevergoeding geëist, maar de politierechter verklaart het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk in de vervolging. Tevens wordt de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering, omdat deze civielrechtelijk moet worden afgedwongen.

De rechter benadrukt het belang van het oplossen van omgangsgeschillen via civiele procedures en het belang van het kind, en betreurt de onderlinge strijd tussen de ouders die het welzijn van de kinderen schaadt.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens het frustreren van de omgangsregeling.

Uitspraak

Rechtbank Noord-Nederland
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
Parketnummer: 19/910690-12
schriftelijk vonnis van de politierechter d.d. 5 maart 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
wonende te [adres].
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 20 februari 2013.
De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. J. Dam-de Haan, adovcaat te Emmen.
Tenlastelegging
De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat
zij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 augustus 2012 tot en met 1 oktober 2012 te Emmen en/of Barger-Compascuum, althans te Nederland, opzettelijk twee minderjarigen, te weten [minderjarigen], heeft onttrokken aan het wettig over genoemde minderjarige(n) gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige(n) uitoefende, immers heeft verdachte met dat opzet die [minderjarigen] in strijd met de omgangsregeling zoals vastegelegd in de beschikking van de rechtbank Assen d.d. 2 september 2009 en/of de beschikking van het Gerechtshof Leeuwarden d.d. 18 september 2012 ) niet aan/bij [vader] (die mede het ouderlijk gezag heeft) meegegeven/gebracht.
Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie, mr. E. Hoekstra, acht hetgeen is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de politierechter als volgt zal beslissen: twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren en toewijzing van de civiele vordering tot een bedrag van € 1000,--, tevens in de vorm van een schadever-goedingsmaatregel met een vervangende hechtenis van twintig dagen, en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het meer gevorderde.
De voorvragen
De politierechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat hijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De politierechter krijgt op basis van het procesdossier de indruk dat de onderlinge echtscheidingsstrijd tussen verdachte en haar gewezen echtgenoot [gewezen echtgenoot] en de bestaande onmin tussen beiden, ten koste gaat van het uitvoeren van de vastgestelde omgangsregeling en daarmee het welbevinden van hun kinderen. De politierechter begrijpt niet dat zij -ondanks weloverwogen uitspraken van de rechtbank Assen en het gerechtshof Leeuwarden- geen gevolg willen geven aan een soepele uitvoering van de beslissingen van die rechtscolleges en in het belang van hun kinderen hun strijdbijl niet begraven. In dit verband kan de politierechter zich niet aan de indruk onttrekken dat verdachte verschillende acties heeft ondernomen om de vastgestelde omgangsregeling te frustreren.
De vraag die dan rijst is of de omgangsregeling die is vastgesteld, door [vader] kan worden afgedwongen bij de strafrechter.
Naar het oordeel van de politierechter is dat niet het geval.
Immers, bij de totstandkoming van de Wet bevordering ouderschap en zorgvuldige scheiding heeft de Minister van Justitie -kort gezegd- aangegeven dat er, om nakoming van de omgangsregeling af te dwingen, een uitgebreid scala aan civielrechtelijke dwangmaatregelen voorhanden is, en dat de strafrechter pas in het uiterste geval in beeld dient te komen.
Ook in de Memorie van Antwoord aan de leden van de Eerste Kamer wordt -zakelijk weergegeven- benadrukt dat de civielrechtelijke dwangmaatregelen in gevallen als onderhavige dienen te worden aangewend. Een aparte strafbaarstelling is voor een situatie waarin een ouder medewerking aan de omgangsregeling weigert niet opgenomen
Uit het hiervoor vermelde komt naar het oordeel van de politierechter naar voren dat de wetgever het aangewezen acht dat in geschillen in het kader van de vastgestelde omgangsregeling -waarbij het belang van het kind voorop staat en de problematiek vaak gevoelig en genuanceerd ligt- het vooreerst tot de plicht van de ouders behoort om deze geschillen op te lossen en dat het aan de civiele rechter is om het frustreren van de vastgestelde omgangsregeling door één van beide ouders tegen te gaan en indien nodig af te dwingen.
De politierechter is dan ook van oordeel dat het in deze zaak tenlastegelegde artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafrecht niet bedoeld is voor situaties als de onderhavige, waarin er nog civielrechtelijke dwangmaatregelen kunnen worden toegepast.
Dit leidt tot de conclusie dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.
Benadeelde partij
Nu aan de verdachte niet enige straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, zal de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De beslissing van de politierechter
De politierechter verklaart
- de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging;
- de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn vordering. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, politierechter, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter op 5 maart 2013.