ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ4747

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
19.830237-11
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 317 SrArt. 350 SrArt. 302 SrArt. 45 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor overval, vernieling en poging zware mishandeling in Assen

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 19 maart 2013 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van meerdere strafbare feiten, waaronder een overval op een winkel in Assen, vernieling van een ruit en poging tot zware mishandeling. Verdachte werd tevens verdacht van diefstal en internetoplichting, maar deze feiten zijn vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte op 20 augustus 2011 onder bedreiging met een groot mes twee medewerkers van een winkel had gedwongen geld af te geven. Ook werd bewezen dat verdachte op 1 mei 2011 een ruit van een woning vernielde en met een zwaar voorwerp een poging deed om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, waarbij het slachtoffer glassplinters in het gezicht en hoofd kreeg.

Verdachte ontkende betrokkenheid bij enkele feiten en voerde noodweer aan voor de poging zware mishandeling, maar de rechtbank verwierp dit verweer omdat er geen sprake was van een onmiddellijke noodweersituatie. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, rekening houdend met de ernst van de feiten, recidive en het tijdsverloop tussen feiten en berechting.

De rechtbank ontnam tevens een in beslag genomen dolk aan het verkeer en wees de vordering van de benadeelde partij op het niet bewezen verklaarde feit af. De gevangenneming ter terechtzitting werd afgewezen omdat verdachte reeds een voorwaardelijke straf ondergaat.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, voor overval, vernieling en poging zware mishandeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
Parketnummer: 19.830237-11
vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 19 maart 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:
[verdachte],
geboren te [plaats] op [datum] 1988,
verblijvende u.a.h. in P.I. Hoogeveen, locatie De Grittenborgh te Hoogeveen.
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 05 maart 2013.
De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen.
Tenlastelegging
De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat
1.
hij op of omstreeks 20 augustus 2011, te Assen, althans in de gemeente Assen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], medewerkster(s) van de [naam winkel] aan de [adres] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten (ongeveer) 100 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [naam winkel], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte
genoemde winkel is binnengegaan, terwijl hij voor die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] zichtbaar een (groot) mes in zijn hand(en) had en/of (daarbij) (op eisende toon) heeft gezegd: "ik wil geld";
2.
hij op of omstreeks 14 mei 2011, te Assen, althans in de gemeente Assen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [adres], heeft weggenomen een telefoon (merk: Samsung, type Galaxy), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);
3.
hij op of omstreeks 1 mei 2011, te Assen, althans in de gemeente Assen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een deur van een woning aan de [adres], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4 en/of [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;
4.
hij op of omstreeks 1 mei 2011, te Assen, althans in de gemeente Assen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 6] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een electromotor, althans een zwaar voorwerp, tegen en/of door een ruit van een woning aan de [adres] heeft gegooid, achter welke ruit genoemde [slachtoffer 6] zich bevond, tengevolge waarvan bedoelde ruit werd vernield en/of een hoeveelheid glas(splinters) in het gezicht/hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 6] is/zijn gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, ter zake dat
hij op of omstreeks 1 mei 2011, te Assen, althans in de gemeente Assen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 6] pijn heeft doen bekomen en/of letsel heeft toegebracht, door een electromotor, althans een zwaar voorwerp tegen en/of door de ruit van een woning aan de [adres] te gooien, tengevolge waarvan bedoelde ruit is versplinterd en die [slachtoffer 6] een hoeveelheid glas(splinters) in diens hoofd/gezicht heeft gekregen;
5. hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 februari 2011 tot en met 18 maart 2011, te Assen, althans in de gemeente Assen en/of elders in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, na te noemen persoon/personen heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk
geval van enig goed, hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk
- zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan aan bonafide verkoper van na te noemen goed(eren), te weten:
- in de periode van 25 februari 2011 tot en met 6 maart 2011, een telefoon (merk: Blackberry), aangeboden via de site Marktplaats, waardoor [slachtoffer A] werd bewogen tot de afgifte van 145 euro en/of
- in de periode van 1 februari 2011 tot en met 4 februari 2011, een zgn. Leeuwenridderkasteel, aangeboden via de site Marktplaats, waardoor [slachtoffer B] werd bewogen tot de afgifte van 56,75 euro en/of
- in de periode van 15 maart 2011 tot en met 18 maart 2011, een telefoon (I-Phone), aangeboden via de site Marktplaats, waardoor [slachtoffer C] werd bewogen tot de afgifte van 70 euro;
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie mr. B.A.C. Looijestijn acht hetgeen onder 1, 2, 3, 4 primair en 5 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:
* drie jaren gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest;
* toewijzing van de vordering van de benadeelde partij;
* de gevangenneming van de verdachte ter terechtzitting;
* onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen voorwerp.
De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak van de feiten 2 en 5
Feit 2
Verdachte heeft elke betrokkenheid bij dit feit ontkend. Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij al geruime tijd bij [betrokkene 1] verbleef en dat aangever hem daarom had moeten herkennen.
Aangever [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij de persoon die bij zijn buurman was, niet kende.
Uit de verklaringen van [betrokkene 1] 1 blijkt dat verdachte wel bij het gesprek tussen [betrokkene 1] en [slachtoffer 3] aanwezig was maar dat Imker op een gegeven moment is weggegaan en dat verdachte later in de woning van [betrokkene 1] kwam. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat beide mannen tegelijk weggingen.
Gelet op de tegenstrijdigheden in de verklaringen van [betrokkene 1] en [slachtoffer 3] en de ontkenning van verdachte acht de rechtbank onderhavig feit niet overtuigend bewezen. De verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.
Feit 5.
Verdachte heeft ook met betrekking tot de internetoplichting elke betrokkenheid ontkend.
De officier van justitie grondt het bewijs op het rekeningnummer dat op naam van verdachte stond en waarop de gelden zijn gestort en op het IP-adres van de computer van [betrokkene 1] in welke woning verdachte heeft verbleven. Voorts op uitlatingen van verdachte omtrent het makkelijk kunnen generen van geld.
Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij in de periode van het tenlastegelegde feit niet langer beschikte over het pasje van zijn bankrekening omdat hij dat pasje is kwijtgeraakt door zijn zwervend bestaan.
Het vorenstaande leidt tot het standpunt van de rechtbank dat de door de officier van justitie aangehaalde bewijsmiddelen onvoldoende zijn om tot overtuigend bewijs van onderhavig feit te kunnen komen. Verdachte moet daarom van dit feit worden vrijgesproken.
Bespreking van de feiten 1, 3 en 4
Feit 1
De rechtbank is -anders dan verdachte en zijn raadsman hebben betoogd- van oordeel dat op grond van na te melden bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de overval op de [naam winkel] in Assen op 20 augustus 2011 heeft gepleegd.
De rechtbank volgt verdachte niet in zijn standpunt dat zijn lengte van 192 centimeter niet past bij de lengte (170 tot 175 centimeter) die de aangeefsters hebben opgegeven en dat hij op grond daarvan de overval niet kan hebben gepleegd. De lichaamshouding van verdachte die hij ten tijde van de overval heeft gehad is mogelijk van invloed geweest op de
waarneming van aangeefsters. Bovendien is de lichaamslengte niet alleen van doorslaggevende betekenis voor de waardering van het bewijs.
De rechtbank kent in dit verband meer waarde toe aan de verklaringen van de vijf getuigen die verklaren van verdachte te hebben gehoord dat hij de overval op de [naam winkel] heeft gepleegd. Het betreffen derhalve geen de auditu verklaringen zoals is aangevoerd.
Ook het bij de overval gehanteerde mes -dat best bijzonder is te noemen- dat kort na de overval is gevonden in de schuur van de toenmalige vriendin van verdachte sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat verdachte onderhavig feit heeft gepleegd.
De rechtbank heeft acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.
[opgave van de bewijsmiddelen]
Feit 3
Nu verdachte dit feit heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, te weten:
- een proces-verbaal van aangifte 2 d.d. 2 mei 2011, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5].
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 5 maart 2013.
Feit 4
De rechtbank is -anders dan de verdachte en de raadsman hebben betoogd- van oordeel dat op grond van na te melden bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte gepoogd heeft [slachtoffer 6] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Verdachte heeft verklaard 3 dat hij met een stappenmotor zijnde een rubberen buis met een dikke ijzeren bovenkant, een slaande beweging in de richting van [slachtoffer 6] heeft gemaakt. Op hetzelfde moment deed [slachtoffer 6] de deur dicht en sloeg verdachte met die stappenmotor door de ruit van de deur. [slachtoffer 6] heeft daarover verklaard dat hij een stuk ijzer op zich af zag komen omdat het voorwerp door het kapotte raam heen kwam. Het glas van de deur versplinterde en [slachtoffer 6] kreeg daardoor allemaal glassplinters op en in zijn hoofd en oren. [slachtoffer 6] had op dat moment zijn ogen dicht gedaan en daarom kreeg hij geen splinters in zijn ogen.
Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat verdachte (voorwaardelijk)opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 6]. Door het tijdig dicht doen van zijn ogen is voorkomen dat [slachtoffer 6] geen blijvend letsel aan zijn ogen heeft opgelopen.
De rechtbank heeft acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.
[opgave van de bewijsmiddelen]
Beroep op noodweer
Verdachte heeft aangevoerd dat hem een beroep op noodweer toekomt. Verdachte heeft daartoe aangevoerd dat [slachtoffer 6] opmerkingen heeft gemaakt richting verdachte waaruit verdachte afleidde dat [slachtoffer 6] iets van boven ging halen. Verdachte dacht dat [slachtoffer 6] hem iets wilde aan doen en heeft daarom uit voorzorg de stappenmotor uit de auto van [betrokkene 1] gehaald en is daarmee naar de voordeur van de woning van [slachtoffer 5] gelopen. Toen [slachtoffer 6] weer naar beneden kwam zag verdachte een glimmend voorwerp bij [slachtoffer 6]. Uit paniek heeft verdachte een beweging gemaakt dat [slachtoffer 6] weg moest gaan. [slachtoffer 6] deed de voordeur dicht op het moment dat verdachte de slaande beweging maakte en verdachte sloeg vervolgens door de ruit van de voordeur.
De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van [slachtoffer 6] en verdachte niet kan worden afgeleid dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mogelijk moest verweren. Anders geformuleerd, er was geen sprake van een noodweersituatie. Op het moment dat [slachtoffer 6] weer naar boven ging had verdachte voldoende tijd en mogelijkheden om zich aan de ontstane situatie te onttrekken. Verdachte had eenvoudigweg weg kunnen lopen.
De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer omdat geen sprake was van een noodweersituatie.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 20 augustus 2011, te Assen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1]en [slachtoffer 2], medewerksters van de [naam winkel] aan de [adres], heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld toebehorende aan de [naam winkel], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte genoemde winkel is binnengegaan, terwijl hij voor die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] zichtbaar een groot mes in zijn handen had en daarbij op eisende toon heeft gezegd: "ik wil geld";
3.
hij op 1 mei 2011, te Assen opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een deur van een woning aan de [adres], toebehorende aan [slachtoffer 4] heeft vernield.
4.
hij op 1 mei 2011, te Assen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 6] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een zwaar voorwerp door een ruit van een woning aan de [adres] heeft gegooid, achter welke ruit genoemde [slachtoffer 6] zich bevond, tengevolge waarvan bedoelde ruit werd vernield en een hoeveelheid glassplinters in het gezicht/hoofd en lichaam van die [slachtoffer 6] is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Kwalificaties
Het bewezen geachte levert respectievelijk op:
onder 1: afpersing,
strafbaar gesteld bij artikel 317 van Pro het Wetboek van Strafrecht;
onder 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen,
strafbaar gesteld bij artikel 350 van Pro het Wetboek van Strafrecht;
onder 4: poging tot zware mishandeling,
strafbaar gesteld bij artikel 302 in Pro verbinding met artikel 45 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Strafbaarheid
De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen verdere strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.
Strafmotivering
De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte de [naam winkel] heeft overvallen waar op dat moment twee personen werkzaam waren. Verdachte heeft die personen onder dreiging van een groot mes gedwongen een hoeveelheid geld af te geven.
Voorts heeft de rechtbank bewezen verklaard dat verdachte met een zwaar voorwerp een raam van een voordeur heeft vernield waarachter het slachtoffer [slachtoffer 6] stond. Hij kreeg glassplinters op zijn hoofd en in zijn gezicht. Het slachtoffer is naar het ziekenhuis geweest om de glassplinters te laten verwijderen. Doordat het slachtoffer tijdig zijn ogen dichtkneep is hem zwaar lichamelijk letsel bespaard gebleven.
De rechtbank rekent verdachte deze feiten in hoge mate aan. Dergelijke feiten hebben een grote impact op de betrokken slachtoffers en het versterkt het gevoel van onveiligheid in de maatschappij.
Wat de overval op de [naam winkel] betreft heeft verdachte gehandeld voor eigen financieel gewin zonder zich te bekommeren om de gevolgen voor de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van overvallen daar nog gedurende een lange tijd de psychische gevolgen van ondervinden.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte een gevangenisstraf op te leggen van drie jaren.
De officier is bij zijn eis uitgegaan van de oriëntatiepunten voor de straftoemeting en heeft laten meewegen het tijdsverloop tussen het plegen van de feiten en de berechting van verdachte.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen de feiten 3 en 4 subsidiair bewezen kunnen worden. De raadsman heeft bepleit een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het aantal dagen dat verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank houdt aangaande de op te leggen straf rekening met de aard en ernst van het bewezen verklaarde, met de omstandigheden waaronder dit is begaan zoals dat hiervoor is aangegeven en met hetgeen de rechtbank uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte.
Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 7 februari 2013 waaruit blijkt dat verdachte eerder voor overvallen is veroordeeld.
Over de hoogte van de op te leggen straf overweegt de rechtbank dat in beginsel voor een overval op een winkel waarbij gedreigd is met een wapen, 2 jaren gevangenisstraf op zijn plaats is. Daar komt bij de poging tot zware mishandeling en de recidive met betrekking tot overvallen.
Voorts dient naar het oordeel van de rechtbank ten gunste van verdachte mee te wegen het tijdsverloop tussen het plegen van de feiten en de berechting van verdachte.
De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hier-voor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een gevangenisstraf op zijn plaats is van een hoogte als door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal -mede gelet op de hiervoor vermelde vrijspraak- daarvan een deel van zes maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte er van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank bij haar uitspraak de gevangenneming ter terechtzitting van de verdachte zal gelasten.
De rechtbank zal dat verzoek afwijzen. Verdachte ondergaat op dit moment de tenuitvoer-legging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte, zo heeft hij aangegeven, dient nog ongeveer 10 maanden gevangenisstraf te ondergaan. Gelet hierop acht de rechtbank het niet opportuun om de gevangenneming van de verdachte te bevelen.
Motivering van de maatregel onttrekking aan het verkeer
De rechtbank acht het hierna te vermelden in beslag genomen voorwerp vatbaar voor onttrekking aan het verkeer aangezien dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet.
Benadeelde partij [slachtoffer B]
De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing van de rechtbank
De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder onder 2 en 5 is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1, 3 en 4 primair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.
De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot:
* een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan een gedeelte groot 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoer-gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer het navolgende in beslag genomen voorwerp:
- 1 stk dolk, kleur: goud/bruin.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer B] niet ontvankelijk is in haar vordering en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.
Wijst af de vordering gevangenneming ter terechtzitting.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter en mr. M.A.A. van Capelle en mr. M. van der Veen, rechters in tegenwoordigheid van D. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 19 maart 2013, zijnde mr. Van der Veen buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.
1 pag. 175 ev van het dossier
2 pag. 84 ev van het dossier
3 pag. 215 van het dossier
??
??
??
??
Parketnummer: 19.830237-11
Uitspraak d.d.: 19 maart 2013 8
vonnis