ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ6109

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
123517 / HA ZA 12-353
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 FwArt. 67 lid 1 FwArt. 1022 RvArt. 122 FwArt. 315 lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in verificatiegeschil wegens arbitrageovereenkomst

In deze zaak betwist de bewindvoerder tijdens een verificatievergadering de vordering van eiseres, waarna de rechter-commissaris partijen verwees naar de rechtbank voor een renvooiprocedure. Eiseres vordert vervolgens dat het geschil wordt verwezen naar arbitrage, gebaseerd op een bestaande arbitrageovereenkomst tussen de oorspronkelijke schuldeiser en de bewindvoerder.

De rechtbank oordeelt dat de arbitrageovereenkomst ook bindend is voor de cessionaris van de vordering, eiseres, en dat artikel 29 Faillissementswet Pro van toepassing is op arbitrale procedures. De rechtbank passeert het verweer van de bewindvoerder dat hoger beroep had moeten worden ingesteld en verklaart zich op grond van artikel 1022 Rv Pro onbevoegd om kennis te nemen van het geschil.

De bewindvoerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres. Het vonnis bevestigt dat arbitrage ook in faillissementsprocedures kan worden voortgezet indien de vordering wordt betwist, ondanks cessie van de vordering.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst het verificatiegeschil naar arbitrage, met veroordeling van de bewindvoerder in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaaknummer / rolnummer: C/17/123517 / HA ZA 12-353
Vonnis in incident van 27 maart 2013
in de zaak van
[A],
wonende te [plaats],
eiseres tot verificatie,
eiseres in het incident,
hierna ook te noemen: [A],
advocaat mr. C.H.J. van der Maas, kantoorhoudende te Haren,
tegen
[B],
in zijn hoedanigheid van de bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling van
[C en D],
zaakdoende te [plaats],
verweerder tot verificatie,
verweerder in het incident,
hierna ook te noemen: de bewindvoerder,
advocaat mr. H. Boonk, kantoorhoudende te Rotterdam.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de verificatievergadering in de wettelijke schuldsaneringsregeling van [C] en [D] de dato 8 november 2012;
- de beslissing van de rechter-commissaris tot verwijzing van partijen naar de renvooiprocedure;
- de incidentele conclusie / verzoek tot doorverwijzing naar arbitrage;
- de conclusie van antwoord in het incident.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
1.3. De Wet herziening gerechtelijke kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.
2. De feiten
2.1. Tijdens de op 8 november 2012 gehouden verificatievergadering heeft de bewindvoerder de door [A] ingediende vordering betwist. De rechter-commissaris heeft tussen [A] en de bewindvoerder geen minnelijke regeling kunnen bewerkstelligen, waarna partijen op de voet van artikel 122 van Pro de Faillissementswet ( Fw) zijn verwezen naar de rol van 19 december 2012 voor een renvooiprocedure.
2.2. De rechter-commissaris heeft tijdens voornoemde verificatievergadering bij zijn beslissing om het verificatiegeschil te verwijzen naar de rechtbank overwogen dat ten aanzien van de arbitrageprocedure tussen Maas Shipyard Hoogezand B.V. en de bewindvoerder, gelet op de cessie en het faillissement van Maas Shipyard Hoogezand B.V., geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 29 Fw Pro.
3. Het geschil in het incident
3.1. [A] vordert het verificatiegeschil te renvooieren naar de arbiters van TAMARA. Tevens vordert [A] de bewindvoerder te veroordelen in de kosten van het incident. [A] stelt hierbij dat de rechter-commissaris abusievelijk, althans ten onrechte heeft overwogen dat gelet op de cessie en het faillissement van Maas Shipyard Hoogezand B.V. geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 29 Fw Pro.
3.2. De bewindvoerder voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling in het geschil
4.1. De rechtbank verstaat dat [A] een beroep op onbevoegdheid doet wegens een overeenkomst tot arbitrage op grond van artikel 1022 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
4.2. De rechtbank passeert het verweer van de bewindvoerder dat [A] in plaats van de ingestelde incidentele vordering in te dienen, op grond van artikel 315 lid 1 Fw Pro hoger beroep had moeten instellen. De verwijzing door de rechter-commissaris op grond van artikel 122 FW Pro is geen beschikking in de zin van artikel 67 lid 1 Fw Pro of 315 lid 1 Fw. De rechtbank is derhalve van oordeel dat [A], door geen beroep in te stellen, haar recht niet heeft verwerkt om in de onderhavige procedure een exceptie van onbevoegdheid op te werpen.
4.3. De rechter-commissaris heeft overwogen dat ten aanzien van de arbitrageprocedure tussen Maas Shipyard Hoogezand B.V. en de bewindvoerder, gelet op de cessie en het faillissement van Maas Shipyard Hoogezand B.V., geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 29 Fw Pro. Partijen verschillen van mening of dit standpunt van de rechter-commissaris juist is geweest. Partijen verschillen klaarblijkelijk niet van mening over het gegeven dat tussen Maas Shipyard Hoogezand B.V. en de bewindvoerder een overeenkomst tot arbitrage is gesloten en dat de vordering van Maas Shipyard Hoogezand B.V. gecedeerd is aan [A]. Maas Shipyard Hoogezand B.V. heeft de vaststelling van haar vordering reeds voorgelegd aan de arbiters van TAMARA. Deze arbitrage is op grond van artikel 313 jo Pro. 29 Fw geschorst om alleen dan voortgezet te worden indien de verificatie van de vordering wordt betwist. De rechtbank is van oordeel dat artikel 29 Fw Pro ook op aanhangige arbitrale procedures van toepassing moet worden geacht. Nu de bewindvoeder de vordering van Doesburg bij de verificatie heeft betwist, had dit moeten leiden tot een voortzetting van de arbitrale procedure. Dat de vordering van Maas Shipyard Hoogezand B.V. gecedeerd is naar [A] doet daar niet aan af. Uit vaste literatuur en jurisprudentie blijkt immers dat de cessionaris en de debitor-cessus op grond van artikel 6:145 BW Pro respectievelijk 6:142 BW gebonden zijn aan de tussen de cedent en debitor-cessus tot stand gekomen overeenkomst tot arbitrage met betrekking tot de vordering die is overgedragen (zie ook HR 2 november 1933, NJ 1934, p. 302).
4.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank zich op grond van artikel 1022 Rv Pro onbevoegd verklaren.
4.5 De bewindvoerder zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld, zoals hieronder nader zal worden aangegeven.
5. De beslissing
De rechtbank:
in de hoofdzaak en in het incident
5.1. verklaart zich onbevoegd om van het verificatiegeschil tussen [A] en de bewindvoerder kennis te nemen;
5.2. veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot € 452,00 in de kosten van het incident aan salaris advocaat en op
€ 267,00 aan vast recht;
5.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2013.?