ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ7865
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek tot tussenkomst in civiele hoofdzaak
In deze civiele procedure vordert een derde partij, hier aangeduid als [C], tussenkomst in een lopende hoofdzaak tussen [A] en [B]. [C] stelt dat hij belang heeft bij tussenkomst om zich te kunnen verweren tegen de vordering in de hoofdzaak en heeft zijn verzoek tijdig ingediend volgens zijn opvatting.
De rechtbank overweegt dat tussenkomst mogelijk is indien de derde partij een eigen vordering heeft die verband houdt met het onderwerp van de procedure en dat het verzoek tijdig moet worden ingediend, namelijk vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het geding wordt genomen. In deze zaak heeft [B] echter al op 8 augustus 2012 een conclusie van antwoord genomen, waarmee de termijn voor tussenkomst is verstreken toen [C] op 20 februari 2013 zijn incidentele conclusie indiende.
Daarnaast vindt de rechtbank dat [C] onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij belang heeft bij tussenkomst, aangezien hij slechts aangeeft zich te willen verweren tegen de vordering zonder een eigen aanspraak te maken. Daarom wordt het verzoek van [C] niet-ontvankelijk verklaard en wordt hij veroordeeld in de kosten van het incident. De zaak wordt verder behandeld met een rolzitting gepland op 1 mei 2013.
Uitkomst: Het verzoek tot tussenkomst van [C] wordt niet-ontvankelijk verklaard en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.