ECLI:NL:RBNNE:2013:CA2965

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 maart 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
AWB LEE 12/2056 T
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over onttrekking pad aan openbaar verkeer en waardevermindering percelen

Eiseres exploiteert een bedrijf en bezit percelen die bereikbaar zijn via een pad dat door de gemeente is onttrokken aan het openbaar verkeer. De gemeente stelt dat het pad na herinrichting geen openbare functie meer heeft en wil het toedelen aan de eigenaren van de aangrenzende percelen. Eiseres betoogt dat de wegonttrekking haar bedrijfsvoering belemmert en leidt tot waardevermindering van haar percelen, waarvoor zij geen compensatie heeft ontvangen.

De rechtbank stelt dat verkeersmaatregelen zoals wegonttrekking een normale maatschappelijke ontwikkeling zijn, maar dat onevenredige nadelige gevolgen gecompenseerd moeten worden. De rechtbank vindt dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar bereikbaarheid significant wordt beperkt of dat de extra kosten en schade onevenredig zijn. Wel concludeert de rechtbank dat de gemeente onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd waarom de mogelijke waardevermindering van de percelen niet tot compensatie leidt.

Verder oordeelt de rechtbank dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden omdat de gemeente geen bindende toezeggingen heeft gedaan dat het pad openbaar zou blijven. De rechtbank geeft de gemeente vier weken de tijd om het gebrek in het besluit te herstellen door nader onderzoek en motivering omtrent de waardevermindering en eventuele compensatie.

Tot slot wordt de verdere beslissing aangehouden totdat het gebrek is hersteld, waarna de procedure wordt voortgezet.

Uitkomst: De rechtbank wijst verweerder vier weken toe om het gebrek in het besluit te herstellen door nader onderzoek en motivering over waardevermindering en compensatie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling bestuursrecht
Locatie Leeuwarden
zaaknummer: AWB LEE 12/2056 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2013 in de zaak tussen
de maatschap [X], te [vestigingsplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. W.R. Kamminga, advocaat te Oosterwolde),
en
de raad van de gemeente Boarnsterhim, verweerder
(gemachtigde: P. de Hoop, werkzaam bij de gemeente Boarnsterhim).
Procesverloop
Bij besluit van 15 mei 2012 (hierna: het bestreden besluit), voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, heeft verweerder het pad vanaf de [weg] over de percelen kadastraal bekend onder de nummers [percelen] (hierna: het pad) onttrokken aan het openbaar verkeer.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2012. Namens eiseres zijn haar maten [Y en Z] verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door H.E. Lourens, werkzaam als projectleider bij de Dienst Landelijk Gebied.
De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaken worden daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.
Overwegingen
1. Eiseres exploiteert een bedrijf aan [adres] te [vestigingsplaats]. Zij is eigenaar van een aantal aaneengesloten percelen aan de oostzijde van de [weg]. Deze percelen zijn bereikbaar vanaf het bedrijf en de [weg]. Vanaf het bedrijf loopt een betonpad in oostelijke richting door de percelen (hierna: het eigen betonpad). Niet alle percelen zijn aan het eigen betonpad gelegen. Een deel van de percelen is gelegen aan het pad. Dit betreft de percelen die het verst van het bedrijf en de [weg] zijn gelegen.
2. Ten gevolge van de herinrichting Swette - De Burd (hierna: de herinrichting) zijn alle percelen aan het pad eigendom geworden van drie eigenaren, die allen eveneens eigenaar zijn van aansluitende percelen gelegen aan de [weg]. Dit betekent dat al deze eigenaren hun aan het pad gelegen percelen kunnen bereiken vanaf de [weg].
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het pad onttrokken aan het openbaar verkeer (hierna ook: de wegonttrekking). Daarnaast wil verweerder het pad toedelen aan de eigenaren van de aanliggende percelen. Deze toedeling zal plaatsvinden nadat de wegonttrekking onherroepelijk is geworden. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het pad tot de herindeling enkel diende als ontsluiting van een aantal aan het pad gelegen landbouwpercelen en na de herindeling geen openbare functie meer heeft. Na de herinrichting en de definitieve toedeling van de ingebrachte landbouwgronden zijn al deze landbouwpercelen bereikbaar vanaf de bijbehorende bedrijven of vanaf de [weg]. Hierdoor is de noodzaak om het pad te gebruiken volgens verweerder vervallen.
4. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet kan een weg, niet behorende tot de in artikel 8 bedoelde Pro, worden onttrokken aan het openbaar verkeer bij een besluit van de raad van de gemeente, waarin de weg is gelegen.
5. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat de in artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet neergelegde bevoegdheid van discretionaire aard is. Aan het bevoegd gezag komt daarbij een ruime mate van beleidsvrijheid toe. De rechter dient de aanwending daarvan te beoordelen aan de hand van de maatstaf of sprake is geweest van strijd met wettelijke voorschriften dan wel van zodanige onevenwichtigheid bij de afweging van de betrokken belangen, dat niet in redelijkheid tot onttrekking kon worden overgegaan. Anders dan eiseres meent, behoeft voor een besluit tot onttrekking van een weg aan het openbaar verkeer dan ook geen sprake te zijn van dringende redenen. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar een uitspraak van de ABRvS van 28 november 2007 (LJN BB8936).
6.1 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat haar belangen onevenredig worden geschaad door de wegonttrekking. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij het pad gebruikt om de daaraan gelegen percelen te bereiken. Ten gevolge van de wegonttrekking wordt zij in haar bedrijfsvoering beperkt, omdat zij daardoor altijd gebruik zal moeten maken van haar eigen betonpad, terwijl de aan het pad gelegen percelen bij slechte weersomstandigheden veel beter te bereiken zijn via het pad. Ook zal zij soms moeten omrijden om de aan het pad gelegen percelen te kunnen bereiken. Eiseres zal daardoor meer tijd nodig hebben voor transport. Verder heeft eiseres aangevoerd dat haar eigen betonpad extra zal worden belast, wat leidt tot hogere onderhoudskosten. Ook zal eiseres meer door haar eigen landbouwgronden moeten rijden, waardoor zij (meer) gewassenschade zal lijden. Eiseres heeft in dit kader verwezen naar het door haar overgelegde rapport van Agri Vastgoed.
6.2 De rechtbank stelt voorop dat het treffen van verkeersmaatregelen, zoals een wegonttrekking, een normale maatschappelijke ontwikkeling is, waarmee een ieder kan worden geconfronteerd. De nadelige gevolgen van dergelijke maatregelen kunnen dan ook in beginsel voor rekening van de betrokkenen worden gelaten. Er kunnen zich evenwel feiten en/of omstandigheden voordoen, waardoor een individueel belang door een dergelijke maatregel zodanig zwaar wordt getroffen, dat het eruit voortvloeiende nadeel niet, althans niet geheel voor rekening van de betrokkene gelaten mag worden. Het is aan het beslissend bestuursorgaan om ervoor te zorgen, voor zover de voorzienbare nadelige gevolgen niet bij voorbaat aan onttrekking in de weg staan, dat onevenredige nadelige gevolgen worden gecompenseerd. De rechtbank verwijst in dit kader naar uitspraken van de ABRvS van 16 januari 1998 (LJN AP6807) en 13 februari 2001 (LJN AB6633).
6.3 De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bereikbaarheid van haar aan het pad gelegen percelen door de wegonttrekking zodanig wordt beperkt dat verweerder om die reden niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen of dat verweerder het ten gevolge van dat besluit door eiseres geleden nadeel had moeten vergoeden. Daartoe overweegt de rechtbank dat de afstand tussen het bedrijf van eiseres en de desbetreffende percelen via het eigen betonpad ongeveer de helft korter is dan via het pad. Daarom acht de rechtbank niet aannemelijk dat eiseres door het onttrekken van het pad aan het openbaar verkeer (significant) meer tijd nodig zal hebben voor transport van en naar de aan het pad gelegen percelen. Doordat eiseres ook percelen in gebruik heeft aan de (zuid)westzijde van de [weg] zou het voor eiseres in sommige gevallen qua afstand gunstiger zijn om het pad te gebruiken. Ook in die gevallen acht de rechtbank het gebruik van het eigen betonpad niet onevenredig bezwaarlijk. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aan het pad gelegen percelen bij slecht weer niet goed te bereiken zijn via het eigen betonpad. De rechtbank is van oordeel dat eiseres evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat de extra onderhoudskosten van het eigen betonpad en de gewassenschade ten gevolge van de wegonttrekking zodanig hoog zijn dat deze kosten en schade, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 6.2 heeft overwogen, in redelijkheid niet voor haar rekening kunnen worden gelaten. Daarom is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om het pad aan het openbaar verkeer te onttrekken, ook zonder de extra onderhoudskosten en gewassenschade te compenseren. Dit betekent dat deze beroepsgrond faalt.
7.1 Eiseres heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat zij ten gevolge van de wegonttrekking schade zal lijden, indien zij de aan het pad gelegen percelen verkoopt. Daartoe heeft zij aangevoerd dat aan een openbare weg gelegen percelen meer waard zijn dan percelen die niet aan een openbare weg zijn gelegen. Ook in dit kader heeft eiseres verwezen naar het rapport van Agri Vastgoed. Agri Vastgoed heeft deze schade geschat op € 87.500,00 (€ 5.000,00 per hectare). Volgens eiseres heeft verweerder haar ten onrechte geen schadevergoeding toegekend.
7.2 Verweerder heeft in de door eiseres gestelde waardevermindering van haar percelen geen aanleiding gezien om af te zien van de wegonttrekking of om eiseres een schadevergoeding toe te kennen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eiseres gestelde schade niet eerder aan de orde is dan wanneer de percelen daadwerkelijk worden verkocht. Bij de toedeling was het uitgangspunt het realiseren van zoveel mogelijk "huiskavels" (kavels die aansluiten bij het bedrijf en dus vanaf het bedrijf bereikbaar zijn). Indien eiseres denkt aan inkrimping, had zij dat volgens verweerder beter kunnen aangeven bij de toedeling. Bovendien geldt hetgeen eiseres heeft aangevoerd niet alleen voor haar, maar ook voor de andere bedrijven die percelen hebben die nu niet meer door het pad worden ontsloten.
7.3 Mede gelet op de hoogte van de door eiseres gestelde waardevermindering van haar percelen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of het bestreden besluit voor eiseres leidt tot onevenredig nadeel en niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het uit het bestreden besluit voortvloeiende nadeel (geheel) voor rekening van eiseres moet blijven. De rechtbank acht niet onaannemelijk dat de aan het pad gelegen percelen minder waard worden door de wegonttrekking en dat eiseres daardoor nadeel kan ondervinden. Verweerder heeft, alvorens tot onttrekking te besluiten, niet onderzocht hoe groot deze waardevermindering is. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder erkend dat aan dit aspect weinig aandacht is besteed. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom deze waardevermindering niet onevenredig is en (geheel) voor rekening van eiseres moet blijven. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting weliswaar verklaard dat de wegonttrekking niet zal leiden tot waardevermindering van de percelen, maar hij heeft dit standpunt niet of nauwelijks onderbouwd. Uit de omstandigheden dat het pad half verhard is, deels redelijk smal is en niet kan worden gebruikt door personenauto's kan niet worden afgeleid dat de wegonttrekking niet tot waardevermindering van de aanliggende percelen zal leiden. De omstandigheid dat eiseres hier pas nadeel van zal ondervinden op het moment dat zij de percelen verkoopt, doet er niet aan af dat de gestelde waardevermindering wordt veroorzaakt door de wegonttrekking en maakt niet dat dit nadeel niet onevenredig kan zijn. Ook de omstandigheid dat eiseres niet de enige is die dergelijk nadeel lijdt, maakt niet dat dit nadeel niet onevenredig is en (geheel) voor rekening van eiseres dient te blijven. In dit kader dient onderscheid te worden gemaakt tussen percelen die nooit aan een openbare weg hebben gelegen en percelen die ten gevolge van een wegonttrekking niet langer aan een openbare weg zijn gelegen. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8.1 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Daartoe heeft zij aangevoerd dat uit de brochure Herinrichting Swette - De Burd, derde uitvoeringsmodule, van oktober 2009 en de nieuwsbrief Swette - De Burd van november 2009 van de bestuurscommissie Swette - De Burd blijkt dat in het kader van de herinrichting is toegezegd dat het pad zou blijven bestaan en zelfs zou worden opgeknapt door het aanleggen van een nieuw betonpad. Het bestreden besluit is in strijd met deze toezegging. Verder heeft eiseres aangevoerd dat het pad ook is vastgelegd in de eigendoms- en gebruikskaarten behorend bij de definitieve toedeling, vastgelegd in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de ruilverkavelingskamer van de rechtbank Leeuwarden van 30 juni 2010 (zaaknummers 103453 HA RK 10-33 en 103608 HA RK 10-49). De mededeling van de herinrichtingscommissie in haar brief van 18 februari 2011 dat het zeker de bedoeling is geweest het pad toe te voegen aan de naastgelegen percelen is dan ook onjuist.
8.2 De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiseres genoemde brochure, nieuwsbrief en bij de herindeling gevoegde kaarten niet kan worden afgeleid dat verweerder toezeggingen heeft gedaan met betrekking tot de openbaarheid van het pad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres aan deze stukken niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat het pad in geen geval aan het openbaar verkeer zou worden onttrokken. De rechtbank leidt uit de genoemde stukken af dat het oorspronkelijk de bedoeling was dat het pad openbaar zou blijven en zelfs zou worden opgeknapt. In een later stadium is besloten hiervan af te zien en heeft verweerder alsnog besloten het pad te ontrekken aan het openbaar verkeer. Ter zitting hebben verweerders gemachtigde en de heer Lourens deze verandering van standpunt uitgelegd. Zij hebben verklaard dat een herindeling een dynamisch proces is. Oorspronkelijk was een aantal aan het pad gelegen percelen toegedeeld aan boeren die deze percelen alleen via dat pad konden bereiken. Daarom was het destijds nodig om het pad te handhaven. Uiteindelijk zijn alle percelen toegedeeld aan boeren die deze percelen ook kunnen bereiken via hun bedrijven of hun aan de [weg] gelegen percelen. Daardoor is de noodzaak van het pad komen te vervallen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze uitleg te twijfelen. Gelet op deze uitleg heeft verweerder in redelijkheid (alsnog) kunnen beslissen om het pad te onttrekken aan het openbaar verkeer. Dit betekent dat deze beroepsgrond faalt.
9. Zoals hiervoor is overwogen onder 7.3 is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuw besluit, na of tegelijkertijd met het intrekken van het nu het bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen moet verweerder onderzoeken of de wegonttrekking leidt tot waardevermindering van de aan het pad gelegen percelen van eiseres en of dit voor eiseres tot onevenredig nadeel leidt. Daarbij dient verweerder in te gaan op het rapport van Agri Vastgoed van 23 augustus 2012. Indien de waardevermindering leidt tot onevenredig nadeel, dient verweerder te onderzoeken of dit aanleiding geeft om af te zien van de wegonttrekking en, indien verweerder de wegonttrekking wenst te handhaven, dient verweerder ervoor te zorgen dat de onevenredige nadelige gevolgen worden gecompenseerd. Verweerder dient de conclusies die hij op basis van dit onderzoek trekt deugdelijk te motiveren. Verweerder dient hierbij de overwegingen van deze tussenuitspraak (vooral de overwegingen 6.2 en 7.3) in acht te nemen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
10. Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en voor de voortgang van de procedure zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
11. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2013.
w.g. rechter
w.g. griffier
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan pas hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met een hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.