ECLI:NL:RBNNE:2013:CA3034

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 maart 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
AWB LEE 13/732
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:8 AwbArt. 4:9 AwbArt. 174a Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens vermeende overlast niet toegewezen

Verweerder besloot de woning van verzoeker voor zes maanden te sluiten vanwege ernstige overlast en verstoring van de openbare orde, waaronder drugsgerelateerde activiteiten. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de overlast vóór 24 september 2012 ernstig was, maar daarna aanzienlijk was afgenomen. Hoewel er vanaf medio december 2012 weer meldingen waren, was niet aannemelijk dat er sprake was van een actuele verstoring van de openbare orde.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder niet verplicht was een tweede mondelinge zienswijzengesprek te voeren, omdat verzoeker reeds eerder zijn zienswijze had gegeven. Verzoeker voerde aan dat de sluiting disproportioneel was en zijn privacy schond. De rechter stelde vast dat de ernst van de overlast vóór 24 september 2012 voldoende was om het eerdere besluit te rechtvaardigen, maar dat de situatie daarna verbeterd was.

De rechter concludeerde dat het besluit tot sluiting van de woning niet in stand kon blijven omdat niet was aangetoond dat er op het moment van het besluit sprake was van een verstoring van de openbare orde. De voorlopige voorziening werd toegewezen, het besluit geschorst en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het besluit tot sluiting van de woning wordt geschorst wegens onvoldoende bewijs van actuele verstoring van de openbare orde.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling bestuursrecht
Locatie Leeuwarden
zaaknummer: AWB LEE 13/732
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. H.L. Thiescheffer, advocaat te Leeuwarden),
en
de burgemeester van de gemeente Leeuwarden, verweerder
(gemachtigde: mr. M.E. van der Helm, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden).
Procesverloop
Bij besluit van 14 februari 2013 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder besloten verzoekers woning aan [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) met ingang van 1 maart 2013 voor de duur van zes maanden te sluiten.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2013. Verzoeker en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder zijn ter zitting verschenen [A], werkzaam als hulpverlener bij ZIENN en begeleider van verzoeker, en [B], buurtagent.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Verzoeker is eigenaar en bewoner van de woning. Bij het bestreden besluit heeft verweerder besloten de woning met ingang van 1 maart 2013 voor de duur van zes maanden te sluiten op de grond dat door gedragingen in de woning de openbare orde rond de woning wordt verstoord. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat er sinds juni 2011 bij de politie, het Meldpunt Overlast Leeuwarden en de gemeente klachten binnenkomen over verzoeker en zijn bezoekers. Een groot aantal bewoners heeft meldingen gedaan over veel aanloop van bezoekers (ook in de nachtelijke uren), geluidsoverlast, scheldpartijen, ruzies, onveilige verkeerssituaties, vernielingen en "ongure" types die zorgen voor een onveilig gevoel. Verzoeker is per brief van 18 juli 2012 gewaarschuwd. Binnen een half jaar na deze waarschuwing zijn opnieuw meldingen van overlast binnengekomen, waarbij het karakter van de overlast overeenkomstig de eerder gemelde overlast is. Verweerder is bekend dat verzoeker andere personen toestemming geeft om gebruik te maken van de woning zonder dat hij zelf aanwezig is. Op die momenten vindt ook overlast plaats. Op 26 augustus 2012 heeft de politie de woning betreden, zijn in de woning drie verdachten aangehouden ter zake van heling, zijn in de woning diverse goederen aangetroffen afkomstig van diefstal (meerdere mobiele telefoons, laptops, digitale ontvangers en onderdelen van computers), zijn in de woning voorwerpen aangetroffen waarmee drugs worden gebruikt, zijn in de woning drugs aangetroffen en zijn in de woning goederen aangetroffen waarmee verdovende middelen worden verpakt, versneden en klaargemaakt voor verkoop (weegschaaltje, bestek met wit poeder, ponypacks, mesjes met wit poeder, basepijpjes met drugsresten, apparaat om drugs mee te versnijden en twee zakjes met het versnijdingsmiddel manitol). Op grond hiervan heeft verweerder verzoeker op 20 september 2012 het voornemen bekend gemaakt om de woning te sluiten voor de duur van zes maanden. Tijdens een zienswijzengesprek op 24 september 2012 is afgesproken dat verweerder verzoeker een allerlaatste kans geeft. Verzoeker krijgt tot en met 28 september 2012 de kans om ervoor te zorgen dat de loop richting zijn woning en de daarmee gepaard gaande overlast volledig stoppen. Verzoeker doet dit door zijn bezoekers actief op de hoogte te brengen dat zij niet meer welkom zijn bij hem thuis. Verder is afgesproken dat verzoeker voor niemand meer de deur opendoet, met uitzondering van zijn ouders, hulpverlening en de politie. Als dit leidt tot overlast of agressie meldt verzoeker dit zelf bij de politie. Ten slotte is afgesproken dat verzoeker contact heeft met de hulpverlening in de persoon van de heer Voet. Verweerder heeft aangekondigd dat als na 28 september 2012 nog meldingen worden ontvangen van overlast of als na die datum nog overlast of criminele activiteiten worden geconstateerd door de politie, de woning voor zes maanden wordt gesloten. Verzoeker heeft zich volgens verweerder tot medio december 2012 aan deze afspraken gehouden. Verweerder heeft echter geconstateerd dat dit daarna niet meer het geval was. Naaste bewoners hebben weer nachtelijk bezoek gemeld dat zorgt voor (geluids)overlast. Ook heeft de politie weer overlast en criminele activiteiten geconstateerd en werkt verzoeker niet of onvoldoende mee aan hulpverlening, aldus verweerder. Volgens verweerder heeft verzoeker onvoldoende gedaan om ervoor te zorgen dat zijn vrienden en kennissen niet meer bij hem aan de deur kwamen. Verweerder heeft verzoeker bij brieven van 26 april 2012, 18 juli 2012 en 20 september 2012 gewaarschuwd en heeft op 24 september 2012 afspraken met hem gemaakt. Dit heeft echter niet tot een bevredigende oplossing geleid, aangezien verzoeker zich niet aan de afspraken heeft gehouden en de openbare orde nog steeds wordt verstoord. Volgens verweerder is het noodzakelijk het pand te sluiten teneinde de overlast op het perceel en in de directe omgeving daarvan te laten eindigen. Verweerder acht een duur van zes maanden noodzakelijk om de openbare orde te herstellen door de "loop eruit te halen". Volgens verweerder zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van het beleid.
3.1 Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder (opnieuw) een zienswijzengesprek met hem had moeten voeren alvorens het bestreden besluit te nemen.
3.2 Op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid die zienswijze naar voren te brengen.
Op grond van artikel 4:9 van Pro de Awb kan de belanghebbende bij toepassing van artikel 4:8 naar Pro keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren brengen.
3.3 Per brief van 20 september 2012 heeft verweerder aan verzoeker zijn voornemen kenbaar gemaakt om de woning voor de duur van zes maanden te sluiten. In deze brief heeft verweerder verzoeker uitgenodigd voor een zienswijzengesprek op 24 september 2012. Verzoeker heeft tijdens dit gesprek zijn zienswijze mondeling naar voren gebracht. Tijdens dit gesprek zijn afspraken gemaakt, zoals hiervoor weergegeven in overweging 2. Na dit gesprek heeft verzoeker zich volgens verweerder tot medio december 2012 aan deze afspraken gehouden. Daarom bestond er in die periode voor verweerder geen aanleiding om het voornemen uit te voeren. Vanaf medio december 2012 heeft verzoeker zich volgens verweerder een aantal malen niet aan de afspraken gehouden en is volgens verweerder opnieuw overlast geconstateerd. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder verzoeker bij brief van 31 januari 2013, verzonden op 4 februari 2013, opnieuw zijn voornemen kenbaar gemaakt de woning voor de duur van zes maanden te sluiten. Verweerder heeft verzoeker in deze brief in de gelegenheid gesteld schriftelijk zijn zienswijze naar voren te brengen. Verzoeker heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt per faxbericht van 7 februari 2013. Daarop heeft verweerder op 14 februari 2013 het bestreden besluit genomen.
3.4 Gelet op de hiervoor weergegeven gang van zaken is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder niet gehouden was verzoeker opnieuw in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze mondeling naar voren te brengen. Daarbij acht de voorzieningenrechter met name van belang dat verzoeker op 24 september 2012 reeds een mondelinge zienswijze heeft gegeven over verweerders voornemen de woning voor de duur van zes maanden te sluiten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit zienswijzengesprek ook in het kader van het (hernieuwde) voornemen van 31 januari 2013 van belang is. De sindsdien verstreken periode is niet zolang dat om die reden de gelegenheid had moeten worden geboden om opnieuw een mondelinge zienswijze naar voren te brengen tegen het (hernieuwde) voornemen tot sluiting van de woning. Ook is geen sprake van een (volledig) nieuwe situatie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon verweerder er in de brief van 31 januari 2013 daarom mee volstaan verzoeker in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze schriftelijk kenbaar te maken. In dit kader acht de voorzieningenrechter mede van belang dat verzoeker verweerder na ontvangst van het voornemen van 31 januari 2013 ook niet heeft verzocht hem in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze mondeling toe te lichten. Dit brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat deze grond faalt.
4. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de woning te sluiten. Daartoe heeft hij aangevoerd dat dit inbreuk maakt op zijn privacy. Verzoeker erkent dat hij op diverse momenten is gewaarschuwd en dat op 24 september 2012 afspraken zijn gemaakt, zoals door verweerder verwoord in het bestreden besluit. Verzoeker wijst er echter op dat de situatie in en om de woning sinds 28 september 2012 aanmerkelijk is verbeterd. Verzoeker heeft zich tot medio december 2012 aan de afspraken gehouden. Volgens verzoeker hebben zich sindsdien geen omstandigheden voorgedaan die aanleiding geven voor het sluiten van de woning. Verzoeker erkent dat hij rondom de kerstdagen bezoek heeft gehad, maar hij stelt dat dit bezoek zich op geen enkele wijze luidruchtig heeft gedragen. Volgens verzoeker heeft dit bezoek zich op de gebruikelijke wijze bij hem gemeld. In ieder geval hebben zich rond de woning geen taferelen voorgedaan waaruit kan worden afgeleid dat ter plaatse ruzie is gemaakt of luidruchtig is gehandeld. Volgens verzoeker is dan ook geen sprake van ernstige overlast. Volgens verzoeker is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd, doordat daarin niet is aangegeven welke omstandigheden aanleiding hebben gegeven tot het sluiten van de woning. In het bestreden besluit wordt enkele gesproken over klachten van naaste bewoners. Volgens verzoeker is niet duidelijk om welke klachten dit gaat. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat de op 24 september 2012 gemaakte afspraken niet rechtsgeldig zijn, omdat verweerder niet van hem kan verlangen dat hij geen enkele persoon ontvangt in de woning. Het recht op privacy houdt in dat verzoeker niet geïsoleerd mag worden van kennissen, vrienden en familie. Verzoeker heeft erop gewezen dat hij om overlast te voorkomen vaak op bezoek gaat, in plaats van bezoek te ontvangen in de woning. Verder heeft verzoeker aangevoerd dat het sluiten van de woning voor de duur van zes maanden niet proportioneel is, gelet op de duidelijke verbetering die heeft plaatsgevonden sinds september 2012.
5. Op grond van artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet kan de burgemeester besluiten een woning te sluiten, indien door gedragingen in de woning de openbare orde rond de woning wordt verstoord.
Op grond van het derde lid bepaalt de burgemeester in het besluit de duur van de sluiting. In geval van ernstige vrees voor herhaling van de verstoring van de openbare orde kan hij besluiten de duur van de sluiting tot een door hem te bepalen tijdstip te verlengen.
Op grond van het vierde lid worden belanghebbenden bij de bekendmaking van het besluit in de gelegenheid gesteld binnen een te stellen termijn maatregelen te treffen waardoor de verstoring van de openbare orde wordt beëindigd. De eerste volzin is niet van toepassing, indien voorafgaande bekendmaking in spoedeisende gevallen niet mogelijk is.
6. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 174a van de Gemeentewet verstoring van de openbare orde in de zin van artikel 174a van de Gemeentewet overlast vergt waardoor de veiligheid en gezondheid van mensen in de omgeving van de woning in ernstige mate worden bedreigd. Aan de hand van concrete, objectieve en verifieerbare gegevens moet aannemelijk worden gemaakt dat zich in de woning of op het daarbij behorende erf ernstige gedragingen voordoen en dat, zoals bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel inzake de invoeging van artikel 174a in de Gemeentewet is opgemerkt (Kamerstukken II 1996/97, 24 699, nr. 13, blz. 20), daardoor verschillende soorten ernstige overlast zich met grote regelmaat en langdurig voordoen.
Ingeval de burgemeester aldus aannemelijk maakt dat vanuit de woning of het bijbehorende erf de openbare orde rond de woning wordt verstoord, is hij ingevolge artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan. Van toepassing van deze bevoegdheid dient de burgemeester echter af te zien indien sluiting van de woning onevenredig zou zijn. In dat verband dient de burgemeester aannemelijk te maken dat de verstoring van de openbare orde niet afdoende kan worden bestreden met minder ingrijpende maatregelen, aldus de ABRvS. De voorzieningenrechter verwijst in dit kader bijvoorbeeld naar een uitspraak van de ABRvS van 16 februari 2011 (LJN BP4697).
7. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker de door verweerder tot het zienswijzengesprek van 24 september 2012 geconstateerde en aan het voornemen van 20 september 2012 ten grondslag gelegde gebeurtenissen, welke in overweging 2. zijn beschreven, niet heeft betwist. Deze gebeurtenissen bestonden onder meer uit veel aanloop van bezoekers (ook in de nachtelijke uren), geluidsoverlast, scheldpartijen, ruzies, onveilige verkeerssituaties, vernielingen en het aantreffen in de woning van goederen afkomstig van diefstal, drugs en voorwerpen waarmee drugs worden gebruikt, verpakt, versneden en klaargemaakt voor verkoop. Op grond van het aantreffen van deze voorwerpen en de drugs acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat in de periode vóór 24 september 2012 in de woning drugs werden gebruikt, verpakt, versneden en klaargemaakt voor verkoop. Ook dit heeft verzoeker niet betwist. De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat in de periode vóór 24 september 2012 rondom de woning sprake was van ernstige (drugs)overlast ten gevolge van gedragingen in de woning. Deze overlast heeft zich vóór 24 september 2012 met grote regelmaat en langdurig voorgedaan en heeft maatschappelijk onaanvaardbare vormen aangenomen. Deze vorm van overlast vormt naar het oordeel van de voorzieningenrechter een ernstige bedreiging van de veiligheid en gezondheid van mensen in de directe omgeving van de woning. Dit brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat vóór 24 september 2012 sprake was van een verstoring van de openbare orde rond de woning, zoals bedoeld in artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet.
8. Uit de stukken blijkt dat de overlast en de verstoring van de openbare orde na 24 september 2012 aanzienlijk zijn afgenomen of zelfs (tijdelijk) volledig zijn gestopt. Verder blijkt uit de stukken dat vanaf medio december 2012 weer een aantal meldingen is gedaan van incidenten in en om de woning.
9. Anders dan verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker na 24 september 2012 niet met een schone lei is begonnen. De omstandigheid dat verweerder verzoeker op 24 september 2012 nogmaals de kans heeft gegeven de overlast en de verstoring van de openbare orde te beëindigen en dat verweerder in dat kader afspraken met verzoeker heeft gemaakt, betekent niet dat verweerder een besluit tot sluiting van de woning nadien alleen nog mocht baseren op feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden na die datum. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht verweerder bij het bestreden besluit zelfs grote waarde toekennen aan de voorgeschiedenis en de vóór 24 september 2012 geconstateerde ernstige overlast en verstoring van de openbare orde.
10. Dit neemt echter niet weg dat verweerder een woning op grond van artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet alleen mag sluiten, indien door gedragingen in de woning de openbare orde rond de woning wordt verstoord. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betekent dit dat verweerder een woning alleen mag sluiten, indien ten tijde van het besluit om de woning te sluiten of kort daarvoor sprake is van verstoring van de openbare orde rond de woning door gedragingen in de woning.
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van het bestreden besluit of kort daarvoor sprake is geweest van gedragingen in de woning die hebben geleid tot verstoring van de openbare orde rond de woning. Uit de relevante politiemutaties en het overzicht van de gemeente van de gebeurtenissen in de periode van 24 september 2012 tot het nemen van het bestreden besluit (hierna: het overzicht) blijkt weliswaar dat het aantal meldingen van overlast in en rondom de woning weer is toegenomen, maar daaruit blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat in die periode (wederom) sprake was van zodanige overlast dat deze leidde tot een verstoring van de openbare orde rond de woning, zoals bedoeld in artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet. Uit de mutatie van 7 december 2012 blijkt dat een omwonende heeft gemeld dat hij dealers de woning in en uit zag lopen. Deze melding is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende concreet, objectief en verifieerbaar. Bovendien blijkt daar niet uit dat sprake is van overlast. Uit de politiemutatie van 2 januari 2013 kan worden afgeleid dat verzoeker heeft erkend dat een aantal personen met een drugsgeschiedenis bij hem aan de deur is geweest en dat hij met twee van hen in een auto heeft gezeten. Uit deze mutatie blijkt echter niet dat deze personen in de woning zijn geweest en ook niet dat zij overlast hebben veroorzaakt. Verder blijkt uit deze mutatie dat is gemeld dat verzoeker in de nachtelijke uren altijd op pad is en in de vroege ochtend weer thuiskomt. Hieruit kan evenmin worden afgeleid dat sprake is van overlast, laat staan van overlast door gedragingen in de woning. Uit de politiemutatie van 22 februari 2013 blijkt dat in de periode van 31 januari 2013 tot en met 10 februari 2013 vijf meldingen zijn binnengekomen waaruit blijkt dat er weer de nodige aanloop is bij de woning van verzoeker en dat bij de deur gedrag is waargenomen dat op dealen lijkt. Ook deze meldingen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende concreet, objectief en verifieerbaar. Uit de mutatie blijkt niet hoeveel mensen er aan de deur komen, of verzoeker deze personen binnen laat en of deze aanloop overlast met zich meebrengt. Ook is niet beschreven waaruit het gedrag bestaat dat op dealen lijkt, laat staan dat op grond van deze mutatie aannemelijk kan worden geacht dat vanuit de woning wordt gedeald. Uit het overzicht blijkt dat verzoeker eenmaal iets heeft afgegeven aan een persoon die bij hem aan de deur kwam en dat verzoeker een aantal malen is meegegaan met personen die bij hem aan de deur kwamen. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om te kunnen concluderen dat vanuit de woning wordt gedeald. Ook blijkt hieruit niet dat sprake was van overlast. Uit het overzicht blijkt verder dat op 1 november 2012 is gemeld dat het onderste raam van de voordeur van de woning 's nachts is gesneuveld in verband met een ruzie om geld. Deze gebeurtenis heeft plaatsgevonden vóór de periode vanaf medio december 2012 die verweerder in het bestreden besluit heeft genoemd. Bovendien blijkt uit het overzicht niet wat er die nacht precies is gebeurd en wat verzoekers rol daarin is geweest. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat in het overzicht staat: "Op de briefing staat al dat het een ordinaire inbraak was." Uit de omstandigheid dat het een aantal malen is voorgekomen dat bezoekers zich hebben aangekondigd door te roepen en op het raam van de woning te kloppen, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin worden afgeleid dat sprake was van ernstige overlast die aanleiding kon geven voor het sluiten van de woning. Dit geldt te meer omdat uit de mutaties en het overzicht blijkt dat het meerdere keren is voorgekomen dat verzoeker personen niet binnen heeft gelaten. Ook de omstandigheden dat verzoeker de op 24 september 2012 gemaakte afspraken niet langer (volledig) naleefde en dat hij het contact met de hulpverlening (in ieder geval tijdelijk) heeft verbroken, brengen op zich niet met zich mee dat (opnieuw) sprake was van ernstige (drugs) overlast en een verstoring van de openbare orde.
12. Verweerder heeft aangevoerd dat hij op grond van de gebeurtenissen in de periode van medio december 2012 tot het nemen van het bestreden besluit vreest dat de situatie rond de woning opnieuw zo ernstig zal worden als in de periode vóór 24 september 2012. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel is dat het toenemen van de meldingen, het opnieuw bij de woning verschijnen van personen met een drugsgeschiedenis, het (in ieder geval tijdelijk) verbreken van de contacten met de hulpverlening en het niet langer binnenlaten van de buurtagent zorgelijk is. Ook acht de voorzieningenrechter het begrijpelijk dat verweerder en de omwonenden naar aanleiding van deze ontwikkelingen vrezen dat de situatie rond de woning opnieuw zo ernstig zal worden als in de periode vóór 24 september 2012. Vrees voor ernstige overlast is echter onvoldoende om te kunnen besluiten tot de sluiting van een woning. Artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet geeft niet de bevoegdheid een woning preventief te sluiten. Dit betekent niet dat verweerder verzoeker opnieuw meerdere malen moet waarschuwen en moet wachten tot de situatie weer zo ernstig is als vóór 24 september 2012 alvorens hij kan overgaan tot sluiting van de woning. Het betekent wel dat daadwerkelijk (opnieuw) sprake moet zijn van zodanig ernstige overlast dat de openbare orde rondom de woning daardoor wordt verstoord. Dat daarvan sprake is, heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt.
13. Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat het bestreden besluit in de hoofdzaak niet in stand zal kunnen blijven. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en treft hij de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist.
14. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
15. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,00 aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2013.
w.g. voorzieningenrechter
w.g. griffier
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.