De eiser trad in januari 2012 in dienst bij Tekenplus met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Deze werd twee keer verlengd, waarbij de derde overeenkomst oorspronkelijk liep van januari tot juli 2013. In juni 2013 bereikten partijen overeenstemming om de looptijd van deze derde overeenkomst te verlengen van zes naar elf maanden, vastgelegd in een wijzigingsverklaring.
De eiser stelde dat deze wijziging een vierde arbeidsovereenkomst tot stand bracht, waardoor op grond van artikel 7:668a BW een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan. Tekenplus betwistte dit en verwees onder meer naar jurisprudentie die stelt dat partijen de looptijd van tijdelijke contracten kunnen wijzigen mits overeenstemming.
De voorzieningenrechter oordeelde voorshands dat de wijziging van de looptijd niet leidde tot een vierde arbeidsovereenkomst. Er was geen sprake van misbruik van omstandigheden, aangezien de wijziging plaatsvond vanwege een onverwachte grote opdracht en de eiser vrijwillig instemde. Andere aangevoerde omstandigheden, zoals disfunctioneren of cao-toepassing, waren niet relevant.
De vorderingen van de eiser tot betaling van salaris en toelating tot werkplek werden afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd gewezen door voorzieningenrechter J.C.G. Leijten en op 21 februari 2014 uitgesproken.