Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.[B],
[C],
Rechtbank Noord-Nederland
In deze civiele procedure stond het beroep op het verschoningsrecht van een huisarts centraal, die werd opgeroepen als getuige in een zaak over vermeend misbruik van omstandigheden bij schenkingen door een overleden erflaatster.
De huisarts weigerde vragen te beantwoorden over de medische gesteldheid van de erflaatster en haar bezoeken aan de praktijk, beroepend op zijn beroepsgeheim. De eiseres stelde dat het belang van waarheidsvinding en de vermoedelijke toestemming van de overleden patiënt zwaarder wogen dan het beroepsgeheim.
De rechtbank overwoog dat het verschoningsrecht op grond van het beroepsgeheim ook na overlijden van de patiënt blijft gelden en dat de arts dit recht naar eigen inzicht kan uitoefenen. Er was geen bewijs dat de patiënt toestemming had gegeven om medische gegevens openbaar te maken.
Verder werd geoordeeld dat het belang van de eiseres onvoldoende zwaarwegend was om het beroepsgeheim te doorbreken, mede omdat er andere mogelijkheden zijn om tegenbewijs te leveren. Het beroep op het verschoningsrecht werd daarom toelaatbaar verklaard.
Tegen dit vonnis staat hoger beroep open. De procedure wordt voortgezet met het horen van overige getuigen.
Uitkomst: Het beroep op het verschoningsrecht van de huisarts wordt toelaatbaar verklaard en hoeft niet te worden opgeheven.