In deze civiele zaak vordert Agis Zorgverzekeringen de terugbetaling van een bedrag van €48.931,06 aan onverschuldigde persoonsgebonden budget (PGB)-voorschotten die aan [A] en haar wettelijk vertegenwoordiger [B] zijn verstrekt. De toekenning van het PGB vond plaats met de verplichting om binnen zes weken na afloop van de verantwoordingsperiode verantwoording af te leggen over de besteding. Deze verantwoording is niet ingediend, waarna Agis Zorgverzekeringen een definitieve toekenningsbeschikking uitvaardigde waarin het terugvorderen van het bedrag werd vastgesteld.
[A] c.s. voerde verweer dat het bedrag niet voldoende was onderbouwd, dat [A] niet op de hoogte was van het PGB en dat de gelden niet aan haar waren uitgekeerd. Tevens stelde zij dat zij door het tijdsverloop onredelijk werd benadeeld (rechtsverwerking). De rechtbank oordeelde dat de beschikking onherroepelijk was geworden omdat geen bezwaar was gemaakt, en dat de formele rechtskracht ervan geldt. Het verweer dat het bedrag niet was uitgekeerd werd verworpen omdat bankafschriften dit tegendeel bewezen en het aan [A] c.s. was om aanvullend bewijs te leveren.
De rechtbank stelde vast dat zowel [A] als [B] hoofdelijk gehouden zijn tot terugbetaling van het bedrag, omdat [B] als wettelijk vertegenwoordiger het PGB had aangevraagd en de voorschotten op haar rekening waren gestort. Het beroep op rechtsverwerking werd afgewezen wegens gebrek aan bijzondere omstandigheden. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens niet-naleving van wettelijke vereisten. De rechtbank veroordeelde [A] c.s. tot betaling van €48.931,06 plus wettelijke rente en proceskosten.