Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.NIET NADER GENOEMDE BELANGHEBBENDEN
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
blijkens haar statuten ten doel heeft:
van de provincies en van de gemeenten geen vergunning, concessie of toestemming voor de levering van elektriciteit nodig zal zijn, waarvoor de provincies en de gemeenten, indien en voor zover dit nodig mocht zijn, de hiertoe strekkende besluiten zullen nemen;
3.De vorderingen en het verweer
4.De beoordeling
aanlegvan een net in de zin van artikel 155a lid 1 OBW is geen sprake geweest. De Overheden hebben immers enkel hun
dagvaardingvan 29 respectievelijk 30 januari 2009 doen inschrijven in de zin van artikel 155 lid 2 OBW Pro. Anders dan artikel 155a lid 2 OBW verder voorschrijft, heeft ter zake van het OV-net, laat staan ter zake van het overige laagspanningsnet, geen publicatie plaatsgevonden van een inschrijving van de aanleg van het net in de Staatscourant.
‘de rechtspositie van bij het net betrokken partijen gelijk blijft ten aanzien van geschillen omtrent de eigendom’. Na twee jaar geldt artikel 5:20 lid 2 BW Pro voor elk net, behoudens onder meer de gevallen waarin de procedure als bedoeld in artikel 155 lid 2 OBW Pro
‘nog niet definitief is geëindigd.’De wetgever vervolgt dat ‘
in deze alsdan lopende procedures (..) de vraag aan wie de eigendom van het net toekomt op basis van het oude recht[zal, rb]
worden beantwoord. Het is aan de rechter te beoordelen wie op grond van dit[destijds, rb]
huidige recht geldt als eigenaar’ (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 29 834, nr. 27, p. 2, Toelichting op het amendement van het lid Hessels c.s.).
volgens het nieuwe recht’moet aantonen. Daaruit leidt de rechtbank af, dat indien dit nieuwe recht door de opschorting ervan krachtens artikel 155 lid 2 OBW Pro niet van toepassing is, zoals in casu, artikel 155a OBW evenmin toepasselijk is (vergelijk ook Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 31 974, nr. 6, p. 8-9).
mede in geval er allerlei ondeugdelijke overdrachten hebben plaatsgevonden omdat partijen zijn uitgegaan van netten als roerende in plaats van onroerende zaken.’De wetgever merkt voorts op dat degene die op grond van artikel 155a lid 1 OBW zich als eigenaar gedraagt, dat
‘definitief’kan worden na het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 155a lid 2 OBW. Voor ommekomst van de vervaltermijn kwalificeert de wetgever degene die zich krachtens het eerste lid als eigenaar mag gedragen, als ‘
voorlopig eigenaar’.Een dergelijk (achteraf gebleken) gebrek in de levering kan weliswaar worden geheeld onder de werking van artikel 5:20 lid 2 BW Pro en de overgangsregeling van artikel 155a lid 2 OBW, maar toepassing van deze bepalingen voor beantwoording van de eigendomsvraag met betrekking tot het OV-net is, zoals hiervoor is overwogen, niet aan de orde.
niet oplost’(vergelijk Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 31 974, nr. 6, p. 5). Het op 1 februari 2007 in werking getreden recht lost strikt genomen in het onderhavige geval de eigendomsvraag wel op, maar behoort bij die oplossing niet voorbij te gaan aan de op de rechtszekerheid gebaseerde eigendomsverkrijging door verjaring, die het wettelijk goederenrechtelijk systeem ook kent.
‘voor werken, strekkende tot geleiding, transformatie, verdeling of levering van elektrische energie (..), behoudens de verplichting tot vergoeding van schade, welke door de aanleg of de aanwezigheid van die werken mocht ontstaan.’Indien de Overheden niet hadden beoogd het bestaande overige laagspanningsnet met de daarbij behorende bevoegdheden over te dragen, hadden zij - zonder nadere redengeving die ontbreekt - aan het bedrijf in de zin van de GR geen toestemming hoeven te verlenen voor het gebruik van de grond van de Overheden voor onder meer het hebben van werken en de aanleg daarvan. Vergelijk in deze zin ook artikel 97 GR Pro ten aanzien van de verplichting voor de Overheden mee te werken aan vergunningen aan het bedrijf voor het uitvoeren en het hebben van deze werken. Dat het overige laagspanningsnet niet onder de genoemde ‘werken’ moet worden begrepen, is niet althans onvoldoende gesteld. Ook de regeling van artikel 98 GR Pro aangaande het niet heffen van retributies
‘voor het hebben van voorwerpen of werken in, op of boven voor de openbare dienst bestemde grond of water, (..) welke door of ten behoeve van het bedrijf zijn gelegd of uitgevoerd’, had in het geval de Overheden hadden beoogd zelf de eigendom van het net aan zich te houden, achterwege kunnen blijven. De Overheden hebben verder blijkens artikel 37 GR Pro beoogd het bedrijf in staat te stellen alle handelingen te verrichten, welke nodig of nuttig waren of in ruimste zin verband hielden met de verwezenlijking van de samenwerking betreffende de openbare elektriciteitsvoorziening. Daartoe behoren naar de taalkundige betekenis van de bewoordingen, gelezen in de context van de GR in haar geheel, ook handelingen betreffende de aanleg c.q. onderhoud, vernieuwing en uitbreiding van het net. De Overheden hebben zich tegelijkertijd verplicht zich te onthouden van alle daden van regeling en bestuur ten aanzien van de bevoegdheden die zij aan het bedrijf in de zin van de GR overdroegen (artikel 4 GR Pro). Het algemeen bestuur van het bedrijf werd krachtens artikel 56 GR Pro onder meer bevoegd tot
‘het overigens in algemene zin behartigen van de openbare elektriciteitsvoorziening in het concessiegebied’.
‘die het voor eigen rekening’en dus niet voor die van de Overheden, op dat moment dreef.
‘werken strekkende tot geleiding, transformatie, verdeling of levering van elektrische energie’. Krachtens artikel 2c Overeenkomst EGD hebben de betreffende overheden zich verplicht tot het verlenen van vergunningen voor het hebben van deze werken. Dat het overige laagspanningsnet niet onder de genoemde
‘werken’moet worden begrepen, is ook ten aanzien van de Overeenkomst EGD niet althans onvoldoende gesteld. Ook hier geldt, - zonder nadere redengeving die een andere conclusie rechtvaardigt - net als bij de vergelijkbare bepalingen van de GR, dat indien de betreffende overheden hadden beoogd de eigendom van het overige laagspanningsnet en de daarmee verbonden bevoegdheden aan zich te houden, zij geen toestemming hadden behoeven te verlenen voor het benutten van de eigen grond en geen vergunningen hadden behoeven af te geven voor onder meer
‘het uitvoeren en het hebben, houden en onderhouden’van meergenoemde werken. Ook de regeling aangaande de retributies in artikel 3 Overeenkomst Pro EGD had, evenals die in artikel 98 GR Pro, in dat geval achterwege hebben kunnen blijven.
‘bevoegde aanlegger dan wel zijn rechtsopvolger’niet altijd in staat zal zijn de bevoegdheid tot de aanleg aan te tonen dan wel de eigendom zelf, omdat het net in het verleden (hetgeen niet ongebruikelijk was), als roerende en niet als onroerende zaak is overgedragen. Met artikel 155a OBW heeft de wetgever een overgangsregeling ontworpen die kan worden gekwalificeerd als een hulpmiddel voor reparatie achteraf van ongeldige overdrachten van netwerken in het verleden. Weliswaar heeft in het onderhavige geval geen inschrijving plaatsgevonden van het overige laagspanningsnet in de zin van artikel 155a OBW, zodat een daadwerkelijke eigendomsverkrijging door het verstrijken van de in artikel 155a lid 2 OBW opgenomen vervaltermijn (nog) niet heeft kunnen plaatsvinden, dat neemt niet weg dat de uitleg van artikel 5:20 lid 2 BW Pro juist bij achteraf gezien ongeldige overdrachten mede dient plaats te vinden tegen de achtergrond van artikel 155a OBW en de door de wetgever gegeven toelichting op deze overgangsregeling. Krachtens artikel 155a OBW is degene die zich als eigenaar gedroeg op 1 februari 2007 bevoegd het netwerk te registreren en als eigenaar over te dragen.
toebehoort’. Door de Overheden is niet betwist dat (de Edon Groep B.V. als rechtsvoorgangster van) Aktiva, (Essent Netwerk B.V. als rechtsvoorgangster van) Enexis op 29 december 2004 als netbeheerder heeft aangewezen in de zin van artikel 10 Elektriciteitswet Pro 1998 en dat die aanwijzing op 1 februari 2007 nog van kracht was. Aktiva is derhalve op basis van artikel 155a lid 1 OBW althans bevoegd tot inschrijving van het overige laagspanningsnet over te gaan. De stelling dat de rechtsvoorganger van Aktiva bij de aanwijzing als lasthebber of opdrachtnemer van de Overheden handelde, wordt ook hier verworpen. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar rechtsoverweging 4.7.20.
‘volmaakte’eigendomsverkrijging zal kunnen plaatsvinden.
‘duurzaam’,
‘verenigd’, en in verband daarmee als
‘bestemming’en als naar
‘buiten kenbaar’heeft te gelden. (Vergelijk HR 31 oktober 1997, NJ 1998, 97, ECLI:NL:HR:1997: ZC2478 en nadien onder meer HR 25 oktober 2002, NJ 2003, 241, ECLI:NL:HR en PHR: 2002:AE6999).
5.De beslissing
de rol van 22 oktober 2014voor het nemen van een akte door alle partijen met in achtneming van hetgeen in rechtsoverweging 4.8.13 is overwogen, waarna de zaak naar de rol van vier weken nadien zal worden verwezen voor het nemen van een antwoordakte door alle partijen;