Op 18 juni 2014 werd verdachte ten laste gelegd van het schieten op een slachtoffer met het oogmerk het leven te beroven. De rechtbank achtte dit feit niet wettig en overtuigend bewezen en sprak verdachte vrij. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte het slachtoffer bedreigde met een vuurwapen en dat hij een dubbelloops pistool en munitie van categorie III in bezit had.
Tijdens de terechtzitting op 14 oktober 2014 werd de verdachte bijgestaan door zijn raadsman. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht en verplichte behandeling. De raadsman pleitte voor een straf gelijk aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis had doorgebracht.
De rechtbank oordeelde dat het voorhanden hebben van wapens en het bedreigen met een vuurwapen ernstige feiten zijn, zeker gezien het feit dat dit op klaarlichte dag en in het openbaar gebeurde met getuigen. De opgelegde straf bestond uit een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden, waaronder gedragsinterventie en ambulante behandeling.
Daarnaast werden de in beslag genomen wapens en munitie onttrokken aan het verkeer. De rechtbank sprak verdachte vrij van het primair tenlastegelegde schietincident wegens gebrek aan bewijs, maar veroordeelde hem voor de subsidiaire bedreiging en het bezit van verboden wapens en munitie.