De verdachte werd verdacht van medeplegen van hennepkwekerij op of omstreeks 26 augustus 2011 in een pand nabij een straat in de gemeente Loppersum. De officier van justitie stelde dat verdachte actief was bij het opruimen van restanten van een hennepkwekerij, maar erkende dat hij niet meer handelingen had verricht dan het opruimen van afval.
De verdediging voerde aan dat er onvoldoende bewijs was voor betrokkenheid bij het telen, bereiden of aanwezig hebben van hennep en dat sprake was van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateerde dat het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn was geschonden, maar volgde de lijn van de Hoge Raad dat dit niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid.
Op basis van de verklaringen, waaronder die van de medeverdachte broer die eigenaar was van de kwekerij en die verklaarde dat verdachte alleen was gevraagd om te helpen met opruimen zonder te vermelden dat het om een hennepkwekerij ging, en de verklaring van verdachte zelf, oordeelde de rechtbank dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van het ten laste gelegde medeplegen van hennepkwekerij. Het vonnis werd uitgesproken door een meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland op 27 november 2014.