Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.De standpunten en de beoordeling daarvan
fn: 315)
Rechtbank Noord-Nederland
De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van zes minderjarigen, waarbij moeder sinds begin 2014 met vijf van hen naar het buitenland is vertrokken. De kinderrechter beoordeelt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan de hand van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 en concludeert dat de gewone verblijfplaats van de kinderen, ondanks het verblijf in het buitenland, nog steeds in Nederland ligt vanwege hun sociale en familiale banden en het feit dat moeder geen definitieve vestiging in het buitenland nastreeft.
De zeventienjarige [F] verblijft zelfstandig in Nederland en volgt hier onderwijs, waardoor de Nederlandse rechter ook bevoegd is ten aanzien van haar. De kinderrechter constateert dat de kinderen een instabiele opvoedingssituatie ervaren, mede door het overlijden van hun vader en het onverwachte vertrek van moeder naar het buitenland. De kinderen verblijven bij familie in het buitenland zonder schoolgang en stabiele zorg.
Gelet op deze omstandigheden verlengt de kinderrechter de ondertoezichtstelling voor de vijf jongere kinderen voor een jaar en voor de oudste tot haar meerderjarigheid. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is een mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.
Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarigen ondanks hun tijdelijk verblijf in het buitenland.