ECLI:NL:RBNNE:2014:650

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 februari 2014
Publicatiedatum
10 februari 2014
Zaaknummer
250966 - EZ VERZ 08-45
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:192 lid 2 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verzoekers wegens misbruik procesrecht in nalatenschapszaak

Op 30 december 2013 dienden verzoekers een verzoek in op grond van artikel 4:192 lid 2 BW Pro om een termijn te stellen voor het maken van een keuze omtrent de beneficiaire aanvaarding of verwerping van de nalatenschap van de erflater.

De kantonrechter constateerde dat reeds in meerdere, onherroepelijke beschikkingen alle aanspraken van verzoekers op de nalatenschap in afwijzende zin waren beslist. In een beschikking van 16 april 2013 was expliciet overwogen dat verzoekers geen aanspraak kunnen maken op de nalatenschap en dat verdere verzoeken niet inhoudelijk beoordeeld kunnen worden. Deze beschikking verklaarde verzoekers niet-ontvankelijk en wees op het gesloten systeem van rechtsmiddelen en het rechtsbeginsel litis finiri oportet.

Ondanks deze eerdere beslissingen bleven verzoekers nieuwe verzoeken indienen, wat de kantonrechter als misbruik van procesrecht en omzeiling van het rechtsbeginsel beschouwde. Gezien de bestendige en volhardende houding van verzoekers en het ontbreken van aanwijzingen dat uitleg tot inzicht zou leiden, achtte de kantonrechter verdere bespreking zinloos.

Daarom werd het verzoek zonder zitting en zonder betrokkenheid van de wederpartij niet-ontvankelijk verklaard, waarmee de procedure werd beëindigd.

Uitkomst: Verzoekers worden niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van procesrecht en het gesloten systeem van rechtsmiddelen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaak-/rolnummer: 2677510 \ EZ VERZ 14-1

beschikking van de kantonrechter d.d. 4 februari 2014

op het verzoekschrift ex artikel 4:192 lid 2 BW Pro met voormeld zaak-/rolnummer in de nalatenschap van
[A], geboren in de gemeente [gemeente] op [geboortedatum], overleden in de gemeente [gemeente] op [datum], laatst gewoond hebbende te [adres], hierna te noemen de erflater.
Verzoekers zijn:
1.
[X],
wonende te [woonplaats],
2.
[C],
wonende te [woonplaats],
3.
[D],
wonende te [woonplaats],
4.
[E],
wonende te [woonplaats],
5.
[F],
wonende te [woonplaats].
Namens verzoekers -hierna ook te noemen[X] c.s.- treedt op als
gemachtigde: [X] (als verzoekster sub 1 tevens procederende voor zichzelf, in persoon).
Verweerder is:

[B],

hierna te noemen: [B],
wonende te[woonplaats].

Motivering

1.
Op 30 december 2013 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift van[X] c.s. ertoe strekkende dat op de voet van artikel 4:192 lid 2 BW Pro een termijn zal worden gesteld voor het maken van een keuze betreffende de (beneficiaire) aanvaarding dan wel verwerping van de nalatenschap.
2.
De kantonrechter constateert dat reeds in een groot aantal -in kracht van gewijsde gegane- beschikkingen, alle gegeven naar aanleiding van verzoeken van[X] c.s., strekkende tot het doen vaststellen van door hen geclaimde aanspraken jegens de nalatenschap van erflater in afwijzende zin is beslist.
3.
Bij beschikking van 16 april 2013, gegeven naar aanleiding van een nieuw, door[X] c.s. ingediend verzoekschrift, werd in verband hiermee expliciet overwogen dat het hieraan klevende gevolg onder meer is dat in rechte onherroepelijk is komen vast te staan dat[X] c.s. geen enkele aanspraak kunnen maken op de nalatenschap van erflater en dat daardoor verzoeken strekkende tot vaststelling van dergelijke aanspraken niet meer inhoudelijk kunnen worden beoordeeld. Op grond hiervan, zo is overwogen, hebben[X] c.s. geen belang bij het doen van verzoeken betreffende de (afwikkeling van de) nalatenschap.
4.
Bij genoemde -bij[X] c.s. genoegzaam bekend veronderstelde- beschikking van 16 april 2013 heeft de kantonrechter[X] c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoeken, als in strijd met het recht. In genoemde beschikking heeft de kantonrechter er voorts op gewezen dat Nederland een gesloten systeem van rechtsmiddelen kent. Door dit systeem wordt (onder meer) het rechtsbeginsel gewaarborgd dat een rechtsstrijd op enig moment tot een einde dient te worden gebracht (litis finiri oportet). Dat thans, zoals hierboven overwogen, in rechte onherroepelijk vast staat dat[X] c.s. geen aanspraken kunnen maken op de nalatenschap van erflater, is een uitwerking van dit systeem. Dit brengt ook mee dat het niettemin (opnieuw) indienen van een verzoekschrift betreffende de (afwikkeling van de) nalatenschap door[X] c.s., zoals zij nu (weer) hebben gedaan, bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan als een bewuste poging tot misbruik van procesrecht, althans tot omzeiling van voormeld rechtsbeginsel (dat op enig moment een rechtsstrijd dient te worden beëindigd).
5.
Gelet op de diverse na de beschikking 16 april 2013 nog ingekomen verzoekschriften van[X] c.s. en hun daaruit blijkende bestendige en volhardende houding, moet worden geconcludeerd dat[X] c.s. niet bij machte zijn om het in genoemde beschikking vervatte rechterlijk oordeel te begrijpen of te accepteren. Met spijt constateert de kantonrechter dat er ook geen enkele aanwijzing is dat een nieuwe poging om dit oordeel uit te leggen zal leiden tot het inzicht dat de kantonrechter[X] c.s. op dit punt toewenst. Een nadere bespreking van de positie van[X] c.s. laat de kantonrechter dan ook achterwege, als blijkbaar zinloos.
6.
Een redelijke toepassing van Nederlands recht -meer specifiek: van eerdergenoemd rechtsbeginsel- brengt naar het oordeel van de kantonrechter mee, dat de zaak moet worden afgedaan door het aanstonds niet-ontvankelijk verklaren van[X] c.s., zonder voorafgaande behandeling ter zitting en ook zonder dat de door[X] c.s. beoogde wederpartij –[B]- in de procedure wordt betrokken.

Beslissing

De kantonrechter:
verklaart[X] c.s. niet-ontvankelijk in het verzochte.
Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2014 door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.
c 206.