Op 15 juni 2014 mishandelde verdachte twee politieambtenaren in Veendam door hen met kracht in het gezicht te stompen, waarbij één slachtoffer vijf tanden verloor en de ander een gebroken oogkas opliep. Tevens beledigde verdachte een politieambtenaar met het woord "Hoer" en had hij een verboden semi-automatisch pistool met munitie in zijn woning.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs, bestaande uit verklaringen van aangevers, verbalisanten en verdachte zelf, wettig en overtuigend was. De rechtbank verwierp de verdediging die sprak van onbetrouwbare verklaringen en ontkenning van het wapenbezit. De gebroken oogkas werd niet als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt.
Verdachte werd vrijgesproken van de primaire tenlasteleggingen maar veroordeeld voor de subsidiaire mishandelingen, belediging en het verboden wapenbezit. De rechtbank legde een gevangenisstraf van acht maanden op zonder voorwaardelijke straf. Daarnaast werden immateriële schadevergoedingen toegekend aan de slachtoffers als voorschot, met mogelijkheid tot verdere vordering bij de burgerlijke rechter.
De inbeslaggenomen wapens en munitie werden onttrokken aan het verkeer. Verdachte had geen strafuitsluitingsgronden en had eerder contact met justitie, maar geen onherroepelijke veroordelingen. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit en de maatschappelijke belangen bij het wapenbezit.