ECLI:NL:RBNNE:2014:6747

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 maart 2014
Publicatiedatum
15 januari 2015
Zaaknummer
13/1105
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging van een bestuurlijke boete wegens overtreding van de inlichtingenplicht onder de Werkloosheidswet

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 19 maart 2014 uitspraak gedaan in een geschil tussen een eiser en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). De eiser, die tussen 2011 en 2012 als docent werkzaam was, ontving een uitkering op basis van de Werkloosheidswet (WW). Het UWV legde hem een boete op van € 14.658,01 omdat hij zijn inlichtingenverplichting niet had nagekomen door wijzigingen in zijn werkstatus niet tijdig door te geven. Eiser stelde dat hij via de website 'Mijn UWV' had geprobeerd zijn situatie te melden, maar dat dit niet was gelukt. Hij was van mening dat het UWV op de hoogte had moeten zijn van zijn werkstatus op basis van de informatie die hij had verstrekt.

De rechtbank oordeelde dat eiser zijn inlichtingenverplichting niet was nagekomen, omdat hij niet tijdig had gemeld dat hij bij een nieuwe werkgever was gaan werken. De rechtbank overwoog dat eiser bij het aanvragen van de uitkering was gewezen op zijn verplichting om wijzigingen door te geven. Eiser had een risico genomen door aan te nemen dat het UWV al over de benodigde informatie beschikte. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit van het UWV, maar stelde de hoogte van de boete vast op basis van de regels die golden ten tijde van de overtreding. De rechtbank oordeelde dat de boete moest worden verlaagd tot 50% van het benadelingsbedrag, omdat eiser uit eigen beweging alsnog de juiste informatie had verstrekt.

De rechtbank concludeerde dat de boete moest worden vastgesteld op 5% van het benadelingsbedrag over de periode van 1 augustus 2012 tot 1 januari 2013, plus 50% van het benadelingsbedrag over de periode van 1 januari 2013 tot en met 14 april 2013. Tevens werd het UWV opgedragen om het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden. De uitspraak werd openbaar uitgesproken en partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht
locatie Groningen
zaaknummer: AWB 13/1105 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,verweerder
(gemachtigde: W.R. Bos).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 14.658,01, omdat eiser zich niet aan zijn inlichtingenverplichting heeft gehouden.
Bij besluit van 3 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2014. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.
Eiser heeft tussen 1 maart 2011 en 1 mei 2012 gewerkt als docent bij[school 1] te [plaats]. In verband met het beëindigen van dit dienstverband is aan eiser met ingang van 1 mei 2012 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend.
1.2.
Eiser werkte voorts met ingang van 26 maart 2012 als docent bij de [school 2] te [plaats] (verder: [school 2]). Dit dienstverband duurde tot
1 augustus 2012.
1.3.
Op 27 maart 2013 heeft eiser telefonisch aan verweerder doorgegeven dat hij vanaf 1 oktober 2012 als docent is gaan werken bij [school 3] te [plaats] (verder: [school 3]). Eiser heeft daarbij nog aangegeven dat hij heeft geprobeerd de wijziging door te geven via “mijn UWV.nl”, maar dat dat niet is gelukt.
1.4.
Bij brief van 3 mei 2013 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij voornemens is eiser een boete op te leggen van € 14.658,01, omdat eiser te laat heeft gemeld dat hij vanaf
1 oktober 2012 is gaan werken bij de [school 3] en voorts omdat eiser niet heeft gemeld dat hij vanaf 1 augustus 2012 als docent is blijven werken bij [school 2].
1.5.
Bij besluit van 4 juni 2013 heeft verweerder de aan eiser verstrekte uitkering ingevolge de WW met ingang van 1 augustus 2012 herzien en over de periode 1 augustus 2012 tot en met 14 april 2013 tot een bedrag van € 14.658,01 van eiser teruggevorderd.
1.6.
Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 14.658,01.
1.7.
Eiser heeft op 4 juli 2013 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend, gericht tegen het primaire besluit.
1.8.
Eiser heeft het bezwaarschrift mondeling toegelicht op de hoorzitting van
22 augustus 2013.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiser zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen door te laat te melden dat hij met ingang van 1 oktober 2012 bij de [school 3] is gaan werken en door niet te melden dat hij vanaf 1 augustus 2012 bij [school 2] is blijven werken. Eiser is er bij het aanvragen van de uitkering op gewezen dat hij wijzigingen in zijn situatie of inkomen dient door te geven. Verweerder heeft geen aanleiding gezien af te zien van het opleggen van een boete of om de boete te matigen.
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij oktober 2012 via de website “Mijn UWV” heeft geprobeerd de wijziging in zijn werksituatie door te geven. Eiser zag op de website echter dat alle wijzigingen in werkgevers en omvang van de werkzaamheden daar al vermeld stonden. Eiser meende daarmee dat alles geregeld was en dat zijn uitkering automatisch zou worden aangepast. Aangezien in april 2013 zijn uitkering nog steeds niet was aangepast besloot eiser te bellen. Toen bleek dat op de website “Mijn UWV” de wijzigingen wel voor de verzekerde zichtbaar waren, maar niet ook voor verweerder. Op de website had moeten staat dat de op die site zichtbare arbeidsgegevens niet ook voor verweerder zichtbaar zijn. Nu op de website de wijzigingen in de arbeidsgegevens reeds zichtbaar waren en eiser er van mocht uitgaan dat die informatie ook bij verweerder bekend was, kon niet van eiser worden verwacht dat hij alle wijzigingen nogmaals zou doorgeven. Eiser heeft nog aangegeven dat hij meerdere keren heeft geprobeerd om de arbeidsgegevens op de website “Mijn UWV” te controleren en te wijzigen, maar dat de website vaak niet bereikbaar was. Eiser is dan ook van mening dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Eiser heeft daarbij nog gewezen op de voorlaatste zin in artikel 25 van de WW. Verondersteld kon worden dat de van de belastingdienst verkregen informatie over het inkomen van eiser ook bekend was bij verweerder. Verweerder had eiser voorts niet of verminderd verwijtbaar dienen te achten. Eiser heeft nooit eerder dergelijke problemen met het UWV gehad, er was geen opzet in het spel, eiser heeft, door het geld van de uitkering op een aparte rekening te plaatsen, verweerder niet benadeeld, verweerder had op zijn website duidelijker moeten zijn en eiser heeft zelf contact gezocht met verweerder. Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat verweerder ten onrechte de regelgeving heeft toegepast zoals die geldt sinds 1 februari 2013, terwijl het feiten uit 2012 betreft.
4. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangevoerd dat het beleid dat verweerder heeft toegepast bij het opleggen van een boete aan eiser zeer recent is gewijzigd. Verweerder heeft besloten de aan eiser opgelegde boete opnieuw vast te stellen aan de hand van dit ten voordele van eiser gewijzigde beleid. Op grond van het gewijzigde beleid zal de boete € 7.329,- bedragen. Aangezien verweerder ten aanzien van eiser nog niet een nieuw besluit heeft kunnen nemen, is aan de rechtbank verzocht het bestreden besluit te vernietigen en zelf in de zaak te voorzien.
5. Eiser heeft desgevraagd aangegeven dat hij zich ook met een boete van € 7.329,- niet kan verenigen.
6.1.
Artikel 25 van de WW luidt:
De werknemer is verplicht aan het UWV op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald. Deze verplichting geldt niet, voor zover een recht op uitkering niet geldend kan worden gemaakt als gevolg van een blijvend gehele weigering. Deze verplichting geldt evenmin indien die feiten en omstandigheden door het UWV kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de derde zin van toepassing is.
6.2.
Artikel 27a van de WW luidt voor zover van belang:
1. Het UWV legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25. De bestuurlijke boete is niet lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag.
2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.
(…)
8. Het UWV kan:
a. de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
b. afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
(…)
10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
(…)
6.3.
Bij algemene maatregel van bestuur zijn nadere regels gesteld over de hoogte van de boete: het Boetebesluit Socialezekerheidswetten. Met het Besluit aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (gepubliceerd in het Stb. 2012, 484) is het boetebesluit per 1 januari 2013 gewijzigd. De rechtbank zal in het navolgende het per
1 januari 2013 geldende Boetebesluit Socialezekerheidswetten aanduiden als het Boetebesluit.
6.4.
Artikel 2 van het Boetebesluit luidt:
1. De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste €150 wordt vastgesteld. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd.
7.1.
De rechtbank overweegt allereerst dat eiser ter zitting heeft aangevoerd dat verweerder de cautieplicht niet is nagekomen. De rechtbank overweegt wat betreft de cautieplicht dat deze ingevolge artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts geldt indien de werknemer mondeling om informatie wordt gevraagd. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De rechtbank is uit de overgelegde stukken gebleken dat eiser telefonisch zijn werkzaamheden heeft gemeld en dat verweerder daarna schriftelijk aan eiser heeft gevraagd of eiser de informatie die is verkregen van de werkgevers van eiser op juistheid wil controleren. Verweerder was derhalve niet gehouden de cautie te geven.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat eiser zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen door te laat te melden dat hij met ingang van 1 oktober 2012 bij de [school 3] is gaan werken en door niet te melden dat hij vanaf 1 augustus 2012 bij [school 2] is blijven werken. Hetgeen eiser heeft aangevoerd geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank overweegt daartoe allereerst dat eiser bij het toekennen van de uitkering er op is gewezen dat hij wijzigingen aan verweerder dient te melden door middel van een wijzigingsformulier. Indien eiser problemen had bij het invullen van het wijzigingsformulier op de website “Mijn UWV”, had hij contact met verweerder dienen op te nemen. Door er van uit te gaan dat verweerder reeds beschikte over de benodigde informatie, omdat alle wijzigingen in werkgevers en omvang van de werkzaamheden al op de website vermeld stonden, heeft eiser een risico genomen dat voor zijn rekening dient te blijven.
De rechtbank merkt in dat verband nog op dat op de website “Mijn UWV” op het eerste scherm duidelijk vermeld staat: “Heeft u een WW-uitkering? En is uw situatie veranderd? Geef dit dan binnen een week aan ons door.” Eiser heeft dit niet gedaan.
7.3.
Verweerder was dan ook, gelet op het bepaalde in artikel 27a, eerste lid, van de WW, verplicht tot het opleggen van een bestuurlijke boete. Niet gebleken is van dringende redenen om van het opleggen van een bestuurlijke boete af te zien.
7.4.
Niet in geschil is voorts dat eiser uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen heeft verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, aanhef en onder c van het Boetebesluit. De rechtbank stelt ten slotte vast dat niet in geschil is dat het benadelingsbedrag € 14.658,01 bedraagt.
7.5.
Verweerder heeft bij het opleggen van de boete toepassing gegeven aan artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit. De rechtbank overweegt, dat de verwijtbare gedraging van eiser die tot het opleggen van een boete heeft geleid voor een groot gedeelte is gepleegd vóór 1 januari 2013, de datum van inwerkingtreding van het Boetebesluit. Met de vaststelling van het nieuwe Boetebesluit heeft de wetgever een drastische verhoging van de op te leggen boetes bepaald.
De wetgever heeft overgangsrecht gemaakt. Dit is opgenomen in artikel XXV van de Wet aanscherping. Dit artikel luidt -voor zover hier relevant- als volgt:
1. Ten aanzien van beboetbare overtredingen en strafbare feiten voorzien bij of krachtens de wetten die bij deze wet zijn gewijzigd en die zijn begaan uiterlijk op de dag voor de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden, blijft het recht, met inachtneming van het tweede lid, van toepassing zoals dat gold op die dag.
2. Ten aanzien van beboetbare overtredingen voorzien bij of krachtens de wetten die bij deze wet zijn gewijzigd en die zijn begaan uiterlijk op de dag voor de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden en voortduren op de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden blijft het recht van toepassing, zoals dat gold op de dag voor de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden, mits uiterlijk op de dertigste dag na de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden de overtreding is opgeheven of geconstateerd.
7.6.
De door eiser gepleegde overtreding van de verplichting, zoals weergegeven in artikel 25 van de WW, dient naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als een “voortdurende overtreding”: een overtreding die betreft het doen bestaan en/of voorbestaan van een verboden toestand”. In dit geval: het doen bestaan en voortbestaan van het overtreden door eiser van de verplichting om verweerder mee te delen dat hij werkzaamheden verricht.
7.7.
De overtreding is aangevangen voor 1 januari 2013 en duurde voort na 30 januari 2013. Artikel XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping is derhalve op deze overtreding van toepassing. In dit artikel is bepaald dat bij de vaststelling van de hoogte van de boete het nieuwe Boetebesluit moet worden toegepast.
7.8.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat artikel XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping gedeeltelijk buiten toepassing moet worden gelaten. Daartoe wordt als volgt overwogen.
7.9.
Met het nieuwe Boetebesluit is de boete op het plegen van de overtreding verhoogd. Doordat in artikel 2 van het Boetebesluit de hoogte van de boete wordt gekoppeld aan de hoogte van het benadelingsbedrag wordt in het geval van eiser de hoogte van de boete deels bepaald door het begaan van de overtreding gedurende de periode dat het nieuwe Boetebesluit nog niet in werking was getreden. Aldus volgt uit artikel XXV, tweede lid, dat over de periode van de voortdurende overtreding tot 1 januari 2013 een hogere boete wordt opgelegd dan de hoogte van de boete, zoals die gold in die periode van de overtreding.
7.10.
Naar het oordeel van de rechtbank is (toepassing van) artikel XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping in zoverre in strijd met de in artikel 7 EVRM en artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van het IBPR vastgelegde bepaling dat geen zwaardere sanctie wordt opgelegd dan die welke gold ten tijde van het plegen van de overtreding. Eenzelfde bepaling is thans eveneens neergelegd in artikel 49, eerste lid, tweede volzin, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Voor het standpunt dat de nationaalrechtelijke overgangsbepaling buiten toepassing moet worden gelaten indien en voor zover deze in strijd is met de bedoelde internationaalrechtelijke bepaling vindt de rechtbank steun in het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2011, LJN: BP6878.
7.11.
Het bovenstaande betekent dat artikel XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping, voor zover die ziet op de overtreding tot 1 januari 2013, buiten toepassing moet worden gelaten.
7.12.
Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.
8. De rechtbank zal zelf, met toepassing van artikel 8:72a van de Awb, een beslissing nemen omtrent het opleggen van de boete en bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beschikking.
9. Bij de bepaling van de hoogte van de boete hanteert de rechtbank de volgende uitgangspunten.
9.1.
Artikel XXV van de Wet aanscherping dient slechts buiten toepassing te worden gelaten voor zover dit in strijd is met bovengenoemde internationaalrechtelijke bepaling. Dit betekent dat uitsluitend voor de overtreding, voor zover die is begaan in de periode tot 1 januari 2013 moet worden uitgegaan van de regels omtrent de boetetoemeting zoals die golden tot 1 januari 2013. Gelet op de opvatting van de wetgever over de hogere boetewaardigheid van de overtreding zal de rechtbank de, volgens de in die periode geldende regels, maximumboete opleggen (HR 13 mei 1986, NJ 1987, 277 en EHRM 9 februari 1995, NJ 1995,606). Over de periode van de overtreding vanaf 1 januari 2013 wordt de boete, indien niet is gebleken van verminderde verwijtbaarheid, overeenkomstig het Boetebesluit zoals dat sindsdien geldt, vastgesteld op het benadelingsbedrag over die periode.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat aldus tevens recht wordt gedaan aan artikel XXV van de Wet aanscherping. Daartoe wordt overwogen dat deze bepaling blijkens de toelichting in de Wet aanscherping is opgenomen om te voorkomen dat een belanghebbende beter af zou zijn door de juiste feiten te blijven verzwijgen, omdat bij een latere constatering steeds het oude recht van toepassing zou zijn. Door de wijze waarop de rechtbank de hoogte van de boete thans vaststelt is eiser niet beter af door het laten voortduren van de overtreding na de wetswijziging.
9.3.
De rechtbank stelt vast dat tot 1 januari 2013 als maximumboete volgens de toen geldende regelgeving een boete van 10 % van het benadelingsbedrag gold.
9.4.
Bij het vaststellen van de boete dient te worden meegewogen dat eiser uit eigen beweging alsnog de juiste informatie heeft verstrekt en er derhalve sprake is (ingevolge artikel 2a, tweede lid, aanhef en onder c van het Boetebesluit) van verminderde verwijtbaarheid. Ingevolge artikel 6 van de Beleidsregel boete werknemer 2013, zoals dat luidt sinds 10 december 2013, wordt in een dergelijke situatie, indien het benadelingsbedrag gelijk aan of hoger dan € 5.000 is en de overtreding gemeld wordt voordat deze meer dan een jaar heeft voortgeduurd, een boete van 50% van het basisboetebedrag opgelegd.
9.5.
De rechtbank zal in de uitspraak beslissen dat de hoogte van de boete wordt bepaald op 50% van 10% (= 5%) van het benadelingsbedrag over de periode van 1 augustus 2012 tot 1 januari 2013 plus 50% van 100% (=50%) over de periode van 1 januari 2013 tot en met 14 april 2013 en zal verweerder opdragen aan eiseres het concrete bedrag van de boete via toepassing van deze criteria mee te delen.
10. Verweerder dient het door eiser betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- stelt de hoogte van de boete op 5% van het benadelingsbedrag over de periode van
1 augustus 2012 tot 1 januari 2013 plus 50% van het benadelingsbedrag over de periode 1 januari 2013 tot en met 14 april 2013;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- draagt verweerder op aan eiser binnen 4 weken na heden het concrete bedrag van de boete mee te delen;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2014.
griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Afschrift verzonden aan partijen op: