ECLI:NL:RBNNE:2014:6771
Rechtbank Noord-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing schorsing voorwaardelijke invrijheidstelling
De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 3 december 2014 het verzoek van een gedetineerde om de schorsing van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling op te heffen. De schorsing was eerder bevolen door de rechter-commissaris vanwege verdenking van het plegen van een nieuw strafbaar feit en overtreding van bijzondere voorwaarden.
De rechtbank stelde vast dat zij niet hoefde te beoordelen of de schorsing terecht was, maar alleen of er nieuwe feiten of omstandigheden waren die de opheffing van de schorsing rechtvaardigden. De raadsman van verzoeker stelde dat het openbaar ministerie de vordering tot herroeping niet onverwijld had ingediend, wat volgens de wet vereist is.
De rechtbank oordeelde dat hoewel het openbaar ministerie de vordering niet onverwijld had ingediend, dit geen rechtsgevolgen had volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad. Gezien de omstandigheden en de geplande zittingsdatum achtte de rechtbank dit verzuim niet doorslaggevend.
Ten slotte concludeerde de rechtbank dat er geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden waren die de opheffing van de schorsing rechtvaardigden en wees het verzoek af.
Uitkomst: Verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden.