ECLI:NL:RBNNE:2014:6771

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 december 2014
Publicatiedatum
23 januari 2015
Zaaknummer
99.000103-94
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15h lid 8 SrArt. 15i lid 2 SrArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing schorsing voorwaardelijke invrijheidstelling

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 3 december 2014 het verzoek van een gedetineerde om de schorsing van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling op te heffen. De schorsing was eerder bevolen door de rechter-commissaris vanwege verdenking van het plegen van een nieuw strafbaar feit en overtreding van bijzondere voorwaarden.

De rechtbank stelde vast dat zij niet hoefde te beoordelen of de schorsing terecht was, maar alleen of er nieuwe feiten of omstandigheden waren die de opheffing van de schorsing rechtvaardigden. De raadsman van verzoeker stelde dat het openbaar ministerie de vordering tot herroeping niet onverwijld had ingediend, wat volgens de wet vereist is.

De rechtbank oordeelde dat hoewel het openbaar ministerie de vordering niet onverwijld had ingediend, dit geen rechtsgevolgen had volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad. Gezien de omstandigheden en de geplande zittingsdatum achtte de rechtbank dit verzuim niet doorslaggevend.

Ten slotte concludeerde de rechtbank dat er geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden waren die de opheffing van de schorsing rechtvaardigden en wees het verzoek af.

Uitkomst: Verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
rekestnummer 14/78
v.i.-zaaknummer 99-000103-34
beschikking van de meervoudige raadkamer d.d. 3 december 2014 op het krachtens artikel 15h, achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht ingediende verzoek door:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats],
thans gedetineerd.

Procesverloop

Verzoeker heeft de rechtbank schriftelijk verzocht de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde op te heffen. Het verzoek is op 11 november 2014 ontvangen door de rechtbank.
De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 3 december 2014.

Motivering

1. Op 22 september 2014 heeft de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank de schorsing van de voorlopige invrijheidstelling van verzoeker bevolen. De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 270 dagen in verband met de verdenking van het plegen van een nieuw strafbaar feit is op 14 november 2014 ter griffie ingekomen waarna de rechtbank op 27 november 2014 een beschikking tot dagbepaling heeft gegeven voor de behandeling van de vordering op 9 januari 2015.
2. Bij de behandeling in raadkamer heeft de officier van justitie aangegeven dat het openbaar ministerie op 17 september 2014 ook al een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 120 dagen had doen uitgaan in verband met de niet-naleving van de opgelegde bijzondere voorwaarden.
3. De rechtbank stelt voorop dat thans niet aan de orde is of de rechter-commissaris al dan niet terecht besloten heeft tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling en evenmin of de voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoeker al dan niet kan worden herroepen.
De rechtbank zal zich alleen buigen over de vraag of de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling opgeheven moet worden. Daarbij zal de rechtbank toetsen of er nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden zijn die de opheffing van de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling rechtvaardigen.
4. De raadsman heeft in zijn schriftelijk verzoek gesteld dat het openbaar ministerie niet voldaan heeft aan de in artikel 15i, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht gestelde eis dat de officier van justitie onverwijld de schriftelijke vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling moet indienen bij de rechtbank.
5. Zoals hiervoor aangegeven lag er op het moment van de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling al een vordering tot herroeping op grond van het overtreden van een gestelde bijzondere voorwaarde. Het belang van verzoeker bij het onverwijld indienen van de vordering, te weten dat hij niet in onzekerheid blijft over het voornemen van het openbaar ministerie, is daarmee niet in het geding geweest. Dit laat onverlet dat de officier van justitie, na de toegewezen schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling, de in artikel 15i van het Wetboek van Strafrecht voorgeschreven procedure had moeten volgen. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van het onverwijld indienen van de (tweede) vordering tot herroeping.
6. Voor de vraag wat het gevolg moet zijn van dit verzuim richt de rechtbank zich met name op de uitspraak van de Hoge Raad van 9 september 2014 (ECLI:HR:2014:2647), waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de wet geen rechtsgevolg aan de niet-naleving van dit voorschrift verbindt maar dat dit onverlet laat dat de rechter, mede gelet op het bepaalde in artikel 6 EVRM Pro omtrent de behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, andere gevolgtrekkingen (dan niet ontvankelijkheid van de officier van justitie) kan verbinden aan de omstandigheid dat een vordering laat is ingediend.
7. Gezien alle omstandigheden in deze zaak, waaronder met name de op 18 september 2014 ingediende vordering en de duur van de voorwaardelijke invrijheidstelling, te weten 270 dagen, in combinatie met de geplande zittingsdatum van 9 januari 2015, zal de rechtbank volstaan met de enkele constatering dat er geen sprake is geweest van het onverwijld indienen van de (tweede) vordering maar dat hieraan geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden.
8. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden die de opheffing van de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling rechtvaardigen.

Beslissing

De rechtbank wijst af het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling van [verdachte].
Deze beschikking is op 3 december 2014 gegeven door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme en mr. L.G. Wijma, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier.