De vennootschap onder firma [A] leverde tussen mei 2008 en juni 2013 groente en fruit aan [B], waarvoor een bedrag van EUR 109.086,85 openstond. Ter zekerheid werd door [B] een tweede hypotheek gevestigd op een winkelpand met woonhuis. Tevens verleende [B] een onherroepelijke volmacht aan [A] om het onderpand te taxeren en te verkopen.
[A] vorderde de erkenning van het recht van hypotheek en de volmacht, alsmede betaling van de openstaande facturen met rente en proceskosten. [B] erkende de schuld en de hypotheek, maar betwistte de rechtsgeldigheid van de tweede hypotheek wegens het ontbreken van toestemming van de eerste hypotheekhouder en wilde de onherroepelijke volmacht buiten werking stellen wegens economische crisis en dwangpositie.
De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van toestemming van de eerste hypotheekhouder de geldigheid van de tweede hypotheek niet aantast ten opzichte van [A]. Het beroep op economische crisis en dwangpositie faalde omdat deze omstandigheden bekend waren bij het afgeven van de volmacht en geen misbruik werd vastgesteld. De vorderingen van [A] werden toegewezen, met veroordeling van [B] tot betaling van de hoofdsom, rente en proceskosten. De vorderingen in reconventie van [B] werden afgewezen.