ECLI:NL:RBNNE:2015:1592

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 maart 2015
Publicatiedatum
31 maart 2015
Zaaknummer
84.141116-14
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Regeling identificatie en registratie van dierenArt. 2 lid 2 Verordening 494/98Art. 591a Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak veehouder wegens onrechtmatig opgelegd afvoerverbod runderen

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 30 maart 2015 een zaak tegen een veehouder die werd verdacht van het overtreden van een afvoerverbod voor drie runderen opgelegd op 29 november 2013. De tenlastelegging betrof het afvoeren van runderen op 3 en 4 december 2013, in strijd met dit verbod.

Tijdens de zitting bleek dat het afvoerverbod niet ondubbelzinnig schriftelijk was vastgelegd. Het formulier waarop het verbod was gebaseerd, vertoonde meerdere onzorgvuldigheden, zoals het ontbreken van een duidelijke aanduiding van het verbodstype, een verkeerde vermelding van de bevoegde instantie en het feit dat het verbod niet door een daartoe bevoegde persoon was genomen. De NVWA was niet bevoegd het verbod op te leggen omdat de Staatssecretaris Economische Zaken deze bevoegdheid niet had gemandateerd.

De rechter oordeelde dat het afvoerverbod derhalve niet rechtmatig was genomen en dat achteraf herstel van de fouten niet mogelijk was om het verbod alsnog geldig te maken. Hierdoor kon niet bewezen worden dat de veehouder het verbod had overtreden. Het verzoek om schadevergoeding werd niet in behandeling genomen omdat dit niet binnen het strafproces kan worden behandeld.

De economische politierechter sprak de veehouder vrij van de tenlastelegging wegens het ontbreken van een rechtmatig afvoerverbod.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens het ontbreken van een rechtmatig afvoerverbod.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 84-141116-14
vonnis van de economische politierechter d.d. 30 maart 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren [geboorteplaats 2],
wonende te [woonplaats].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 maart 2015.
De verdachte is verschenen.
Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. W.H. Frank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
dat verdachte op 3 december 2013 en/of 4 december 2013 in de gemeente Boarnsterhim, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk heeft gehandeld in strijd met het op 29 november 2013 door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan [verdachte] opgelegde verbod als bedoeld in artikel 40 van Pro de “Regeling identificatie en registratie van dieren” om (onder meer) runderen af te voeren van het bedrijf met UBN nummer 61221, immers werden op 3 december 2013 de runderen met de ID codes NL 919548596 en/of NL 919548604 van dat bedrijf weggevoerd en/of werd op 4 december 2013 het rund met ID code NL 498348172 van dat bedrijf weggevoerd.
In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:
- veroordeling voor het ten laste gelegde tot oplegging van een geldboete van € 2.500,-- subsidiair 35 dagen vervangende hechtenis waarvan € 2.000,-- subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Beoordeling van het bewijs

Verdachte is als gewetensbezwaarde oormerken per 10 juni 2003 deelnemer aan het
"Uitvoeringsprotocol gewetensbezwaarde identificatie en registratie (I&R) van runderen van 17 september 2002". In het Uitvoeringsprotocol is onder andere bepaald dat minimaal één keer per jaar een controle wordt uitgevoerd op de naleving van het protocol en alle afspraken. Bij dit bezoek wordt -steekproefsgewijs- van een aantal moeder-nakomeling koppels een haarmonster genomen voor DNA onderzoek.
Voorts is in het Uitvoeringsprotocol bepaald dat van ieder kalf dat door de veehouder wordt aangehouden, binnen drie werkdagen na de geboorte haarmonsters moeten worden ingestuurd voor DNA onderzoek.
Verdachte heeft aangevoerd dat hij onder de werking van het Uitvoeringsprotocol, in de afgelopen 10 jaar, steeds weer met andere controle-instanties te maken heeft gekregen en dat elk van die controle-instanties andere controleregels had. Volgens verdachte hebben de vele bedrijfscontroles nagenoeg een 100% controle van de aanwezige rundveestapel opgeleverd.
Verdachte is daarom van mening dat het insturen van haarmonsters van kalveren binnen drie werkdagen na de geboorte geen redelijk doel meer dient.
De economische politierechter verwerpt deze stelling van verdachte, omdat verdachte zich nu eenmaal heeft geconformeerd aan het Uitvoeringsprotocol en derhalve gebonden is aan de daaruit voortvloeiende controle-regels en afspraken.
Op 29 november 2013 is in het kader van de naleving van het Uitvoeringsprotocol een bedrijfscontrole geweest bij verdachte. Daarbij is geconstateerd dat niet tijdig haarmonsters van kalveren waren ingestuurd. Dit heeft geleid tot een afvoerverbod.
Verdachte heeft aangevoerd (onder overlegging van diverse stukken) dat het afvoerverbod niet bevoegd is genomen, maar ook onduidelijk is medegedeeld. Er bestaat twijfel of het Overzicht Meldingen en Maatregelen I&R van 2 december 2013 wel een besluit is gericht op rechtsgevolg. Het door de opsporingsambtenaar op 29 november 2013 uitgereikte doorslagvel is niet volledig ingevuld, in het bijzonder is de optie van het afvoerverbod ex artikel 40 Regeling Pro I&R Dieren niet aangekruist.
Dit alles maakt dat verdachte zich op het standpunt stelt dat hij moet worden vrijgesproken, omdat er zijns inziens geen sprake was van rechtmatig genomen afvoerverbod. Voorts vraagt verdachte nog om schadevergoeding tot een bedrag van € 787,-- wegens winstderving en salaris gemachtigde.
De economische politierechter overweegt daartoe als volgt.
De tenlastelegging geeft, kort gezegd, aan dat op 2 en 3 december 2013 van verdachtes bedrijf drie runderen (waarvan de ID codes zijn vermeld) zijn afgevoerd, in strijd met het afvoerverbod van 29 november 2013.
Verdachte stelt dat er geen sprake is van een rechtmatig afvoerverbod en dat dus niet gesproken kan worden van niet naleving van het afvoerverbod, zodat vrijspraak moet volgen.
Art 40 lid 2 Regeling Pro I&R Dieren bepaalt dat de minister afvoer van runderen verbiedt ingeval van de situatie van art. 2 lid 2 verordening Pro 494/98. Heden ten dage dient voor de minister te worden gelezen de Staatssecretaris Economische Zaken (EZ).
De economische politierechter stelt vast dat aan het afvoerverbod van 29 november 2013 diverse manco's kleven, te weten:
- Het afvoerverbod werd niet ondubbelzinnig op schrift gesteld. Bij de stukken bevindt zich weliswaar een formulier "Besluit ingevolge artikel 40 van Pro de regeling identificatie", maar daarop is niet aangekruist of er sprake was van een aan- of afvoerverbod.
- In de aanhef van het formulier is vermeld Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, terwijl het afvoerverbod werd gegeven door opsporingsambtenaren van NVWA.
- Een overzicht Maatregelen en Meldingen I&R van 2 december 2013.
- Een "Besluit opheffen bedrijfsblokkade" vermeldende de opheffing van een aanvoerverbod, in plaats van een opheffing van een afvoerverbod (brief d.d. 17-4-2014).
- Het afvoerverbod is niet door een daartoe bevoegde persoon genomen. In de onderhavige zaak is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 2, tweede lid van de verordening 494/98. Op grond van artikel 40 eerste Pro lid van de Regeling I&R Dieren is in een dergelijke situatie de Staatssecretaris EZ, degene die het aanvoeren van runderen op het bedrijf, het afvoeren van runderen van dit bedrijf, en het vervoeren of verhandelen van runderen afkomstig van een bedrijf kan verbieden.
De economische politierechter verwijst in dat kader ook naar de door verdachte overgelegde beschikking van de Dienst RVO dd. 1 mei 2014 inzake Koldaard (ref 492-5389 emw). Op grond van hetgeen in die beschikking is gerelateerd mag worden aangenomen dat de Staatssecretaris EZ niet haar bevoegdheid op het gebied van art 40 lid 2 Regeling Pro I&R Dieren heeft overgedragen (gemandateerd) aan de NVWA, derhalve was de NVWA niet bevoegd tot het opleggen van het afvoerverbod.
De economische politierechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat geen sprake is geweest van een rechtmatig afvoerverbod, nu het daartoe bestemde formulier zoveel onzorgvuldigheden bevat, dat niet bewezen kan worden dat vanaf 29 november 2013 een afvoerverbod gold. Daarbij is de economische politierechter tevens van oordeel dat het achteraf herstellen van zoveel onzorgvuldigheden, niet kan leiden tot een rechtmatig afvoerverbod voor genoemde datum.
Derhalve dient vrijspraak te volgen.
Met betrekking tot het verzoek tot schadevergoeding is de economische politierechter van oordeel dat dit verzoek niet in behandeling kan worden genomen, nu de regels zoals die gelden in het bestuursrecht niet gelden in het strafproces. Voorzover verdachte een vergoeding wenst voor gemaakte onkosten dient hij via een aparte procedure als bedoeld
in artikel artikel 591(a) Wetboek van Strafvordering daartoe een verzoek in te dienen bij de rechtbank.

DE UITSPRAAK VAN DE ECONOMISCHE POLITIERECHTER LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.Y.B. Jansen, economische politierechter, bijgestaan door
A. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 maart 2015.

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/84-141116-14