ECLI:NL:RBNNE:2015:1781

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 april 2015
Publicatiedatum
14 april 2015
Zaaknummer
18-920403-13 (2)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Wetboek van StrafrechtArt. 3 onder C Opiumwet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens medeplegen bezit hennepplanten

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 7 april 2015 uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd verdacht van medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €102.820,25, gebaseerd op het telen van hennep. De verdediging stelde dat de vordering moest worden afgewezen vanwege vrijspraak van het telen van hennep.

De rechtbank veroordeelde verdachte voor het medeplegen van het aanwezig hebben van hennep, maar sprak hem vrij van het telen van hennep. Hierdoor volgde de rechtbank de berekening van de officier van justitie niet, omdat deze was gebaseerd op het telen. Op basis van bewijsmiddelen, waaronder een ruimlijst hennep en een verklaring van verdachte, stelde de rechtbank vast dat verdachte een voordeel had genoten van €3.000.

De rechtbank legde daarom een ontnemingsmaatregel op van €3.000, waarmee verdachte verplicht wordt dit bedrag aan de Staat te betalen. De beslissing is genomen op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het vonnis is gewezen door drie rechters en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting.

Uitkomst: Verdachte is verplicht €3.000 aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/920403-13 (vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel)
raadsman: mr. H.J. Pellinkhof
vonnis van de meervoudige kamer voor behandeling van strafzaken d.d. 7 april 2015 op een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen

[verdachte],

geboren [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van
9 januari 2015 en 24 maart 2015.

Vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 102.820,25 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen, nu hij vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde heeft bepleit.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 7 april 2015 in de zaak met parketnummer 18/920403-13 veroordeeld ter zake het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod tot het opzettelijk aanwezig hebben van hennep. De rechtbank heeft veroordeelde vrijgesproken van het telen van hennep. Op grond hiervan volgt de rechtbank de berekening van de officier van justitie, die is gebaseerd op het telen van hennep, niet.
De rechtbank ontleent aan de inhoud van het voornoemde vonnis en het strafdossier het oordeel dat veroordeelde door middel van het begaan van voornoemd feit een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:
Een overig geschrift, zijnde een 'ruimlijst hennep', opgenomen op p. 11 van dossiernummer PL032V 2013009072 d.d. 24 juni 2013 van Politie Drenthe, inhoudende:
Op de [adres] te [pleegplaats] werden op 5 februari 2013 1197 hennepplanten geruimd.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 februari 2013, opgenomen op p. 100 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte:
Rond de kerstdagen ben ik erachter gekomen dat er een kwekerij in het pand zat dat ik verhuurde. Ik heb toen de man van het contract gevraagd wat ze in die ruimte deden. Hij vertelde mij dat er een kwekerij in die ruimte zat. Hij wilde het op een akkoord gooien en hij gaf mij € 3.000,-.
De rechtbank ontleent aan de inhoud van bovenstaande bewijsmiddelen het oordeel dat het aannemelijk is dat veroordeelde door middel van het begaan van het feit een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten en dat dit voordeel moet worden geschat op € 3.000,--. De rechtbank zal dit bedrag ook vaststellen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 3.000,--;
- legt [verdachte] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 3.000,-- (zegge: drieduizend euro) aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter, mrs. B.I. Klaassens en
J.J. Schoemaker, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 april 2015.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.