AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening tegen beëindiging persoonsgebonden budget huishoudelijke hulp
Verzoekster, geboren in 1925, ontving op grond van de Wmo een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke hulp, uitgevoerd door haar dochter. Verweerder beëindigde dit pgb per 1 december 2014 omdat directe familie niet betaald mag worden vanuit het pgb. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat principiële rechtsvragen over de toelaatbaarheid van mantelzorg binnen het pgb beter in een bodemprocedure behandeld kunnen worden. De beoordeling in deze voorlopige voorziening vond plaats op basis van belangenafweging. Verzoekster heeft een zwaarwegend belang bij voortzetting van het pgb vanwege haar beperkingen en de persoonlijke situatie.
Verweerder had onvoldoende onderzoek gedaan naar de individuele omstandigheden en de gevolgen van beëindiging van het pgb. Daarom werd het bestreden besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar en moest het pgb ongewijzigd worden voortgezet. Tevens werd het betaalde griffierecht aan verzoekster vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van het pgb wordt geschorst en het pgb wordt ongewijzigd voortgezet tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 15/834
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 april 2015 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam verzoekster], te Ter Apel, verzoekster
(gemachtigde: A. Bottema),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlagtwedde, verweerder
(gemachtigde: mr. R.C.J.M. Balvers).
Procesverloop
Bij besluit van 21 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de voorziening voor huishoudelijke hulp 1 in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) die verzoekster ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2007 (hierna: Wmo) had, per
1 december 2014 beëindigd.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2015. Verzoekster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.
2. Verzoekster, geboren op 18 maart 1925, heeft op 24 januari 2013 een aanvraag voor herindicatie huishoudelijke hulp ingediend. Na advies van SCIO-consult, heeft verweerder verzoekster bij besluit van 6 maart 2013 met ingang van 19 maart 2013 in aanmerking gebracht voor een voorziening voor huishoudelijke hulp 1 voor drie uren per week op grond van de Wmo in de vorm van een pgb, geldig tot en met 18 maart 2018.
3. Naar aanleiding van een door verzoekster bij de Sociale Verzekeringsbank ingeleverde zorgovereenkomst, heeft verweerder onderzoek verricht naar het aan verzoekster per 19 maart 2013 toegekende pgb. In dat kader heeft verweerder geconstateerd dat de huishoudelijke hulp in de vorm van een pgb wordt uitgevoerd door de dochter van verzoekster. Bij brief van 13 november 2014 is verzoeksters dochter verzocht om een nieuwe zorgovereenkomst in te sturen. Op basis van de ingezonden zorgovereenkomst heeft verweerder op 17 en 21 november 2014 telefonisch contact opgenomen met verzoeksters dochter, [naam dochter].
4. Vervolgens heeft verweerder bij het bestreden besluit van 21 november 2014 de indicatie van verzoekster voor hulp in de huishouding met ingang van 1 december 2014 beëindigd. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat directe familie niet kan worden ingeschakeld en betaald vanuit het pgb voor huishoudelijke hulp. Daarbij heeft verweerder overwogen dat verzoekster heeft gesteld dat er geen mantelzorg voorhanden is. Verweerder acht het niet onredelijk dat personen met wie er een sociale relatie bestaat de zorg op zich nemen als mantelzorger. In dat geval bestaat volgens verweerder geen noodzaak voor een individuele voorziening vanuit de Wmo. Aan het besluit ligt een rapportage beëindiging huishoudelijke hulp van 21 november 2014 ten grondslag. Daarin zijn onder meer de telefoongesprekken van 17 en 21 november 2014 vastgelegd.
5. Verzoekster heeft tegen het besluit van 21 november 2014 bezwaar gemaakt. Zij acht het niet redelijk om de indicatie hulp bij het huishouden per 1 december 2014 te beëindigen. Verweerder kan de dochter van verzoekster niet eenzijdig de rol van mantelzorger opleggen met betrekking tot het verrichten van huishoudelijke hulp. Mantelzorg is een vrije keus en niet afdwingbaar. Gezien de leeftijd, de persoonskenmerken en het karakter van verzoekster is de door haar dochter uitgevoerde hulp het meest passend. Verzoekster wenst in haar eigen woning zorg door haar dochter te blijven ontvangen en zij voelt er niet voor om naar een verpleegtehuis te moeten verhuizen. Volgens verzoekster is het uitvoeren van de huishoudelijke hulp door haar dochter op grond van de Wmo toegestaan. Voorts is verweerder op grond van artikel 4 vanPro de Wmo gehouden verzoekster voorzieningen te bieden ter compensatie van haar beperkingen op het gebied van (onder meer) zelfredzaamheid om haar in staat te stellen een huishouden te voeren. Door het beëindigen van de voorziening voor de huishoudelijke hulp wordt verzoekster niet op grond van artikel 4 vanPro de Wmo gecompenseerd in haar beperkingen. Daarnaast heeft een zorgvuldige belangenafweging met inachtneming van de persoonskenmerken van verzoekster niet plaatsgevonden en evenmin zijn de gevolgen voor verzoekster van de beëindiging van het pgb onderzocht. Verzoekster acht het bestreden besluit verder in strijd met het in artikel 3:2 vanPro de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel.
Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster nog naar voren gebracht dat de situatie tussen verzoekster en haar kinderen zeer gespannen is, dat verzoekster gelet op haar karakter niet gemakkelijk in de omgang is en dat er sprake is van een belastende geschiedenis van de familie. Verder heeft verzoeksters gemachtigde naar voren gebracht dat de dochter van verzoekster de huishoudelijke hulp niet meer wil uitvoeren als er geen pgb meer is.
6. Verweerder heeft ter zitting zijn standpunt nader toegelicht. Allereerst is door verweerder aangegeven dat niet ter discussie staat dat verzoekster beperkingen heeft en dat de wettelijke grondslag artikel 4 vanPro de Wmo is, zoals nader ingevuld door de Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Vlagtwedde 2014 (hierna: de Beleidsregels). Verweerder heeft verder toegelicht dat in de Verordening van de gemeente niet is opgenomen dat huishoudelijke hulp die door een mantelzorger wordt uitgevoerd, niet vanuit het pgb mag worden bekostigd. Wel is in de Beleidsregels opgenomen dat de Wmo uitsluitend bedoeld is om mogelijkheden te bieden door middel van voorzieningen als het niet in iemands eigen vermogen ligt het probleem zelf op te lossen. In dat kader heeft verweerder toegelicht dat de eigen verantwoordelijkheid dan wel zelfredzaamheid van de aanvrager voorop staat en dat het gaat om de invulling van het begrip eigen verantwoordelijkheid. Voorts heeft verweerder toegelicht dat met inachtneming van feiten en omstandigheden dient te worden beoordeeld of er redenen zijn om met toepassing van de inherente afwijkingsbevoegdheid af te wijken in een individueel geval. Nu, zoals in dit geval, de mantelzorg er op het moment van de herindicatie feitelijk al is, is geen taak meer weggelegd voor verweerder en bestaat er geen recht op een individuele voorziening. De door de gemachtigde van verzoekster ter zitting naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, te weten dat verzoekster niet gemakkelijk is in de omgang, dat er sprake is van een gespannen familiesituatie en dat de dochter van verzoekster de huishoudelijke hulp niet meer wil uitvoeren indien er geen pgb meer is, waren bij de herindicatie en de besluitvorming niet bij verweerder bekend. In dat verband heeft verweerder aangegeven dat deze nieuwe feiten en omstandigheden in het kader van de te verrichten heroverweging in bezwaar zullen worden meegenomen. Tevens zal in de fase van bezwaar door verweerder nader worden uitgezocht of de dochter als mantelzorger de huishoudelijke taken voor verzoekster kan uitvoeren vanuit een pgb, gelet op de persoonskenmerken van verzoekster. Verder heeft verweerder ter zitting toegelicht dat de zelfredzaamheid ziet op de capaciteit om zelf maatregelen te nemen, waarbij dient te worden gekeken naar de concrete en individuele feiten en omstandigheden. Verweerder heeft ter zitting tot slot aangegeven dat, indien het zo mocht zijn dat op de eind april 2015 nog te houden hoorzitting blijkt dat verzoekster voor het uitvoeren van de voorziening huishoudelijke hulp zondermeer is aangewezen op haar dochter, dan zo spoedig mogelijk een herzien besluit zal worden afgegeven.
7. De voorzieningenrechter acht het spoedeisende belang in onderhavig geval voldoende aangetoond, omdat de belangen van verzoekster bij het treffen van een voorziening ter zitting genoegzaam zijn gebleken. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de voorziening huishoudelijke hulp in de vorm van een pgb per 1 december 2014 is beëindigd, terwijl verzoekster, gelet op haar beperkingen, belang heeft bij de voortzetting van het pgb.
8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
9. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen met toepassing van de Wmo, de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Vlagtwedde 2012 (de Verordening), de Beleidsregels en het daarop gebaseerde Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Vlagtwedde 2014 (het Besluit).
9.1.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a, van de Wmo treft het college van burgemeester en wethouders, ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren.
Op grond van het tweede lid houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.
10. Niet in geschil is dat verzoekster meerdere medische beperkingen heeft. Evenmin is in geschil dat verzoekster in beginsel recht heeft op een voorziening voor huishoudelijke hulp 1 in de vorm van een pgb.
De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder de aan verzoekster toegekende voorziening voor huishoudelijke hulp in de vorm van een pgb per 1 december 2014 heeft kunnen beëindigen. In dat kader is het verder de vraag of al dan niet recht bestaat op een individuele voorziening indien de dochter van verzoekster als mantelzorger de huishoudelijke hulp kan uitvoeren. Indien die vraag ontkennend moet worden beantwoord, is het de vraag of verzoeksters dochter als mantelzorger vanuit het pgb mag worden betaald. Bij een ontkennende beantwoording daarvan, is het ten slotte de vraag of met de beëindiging van het pgb verzoekster wel voldoende in haar beperkingen wordt gecompenseerd als bedoeld in artikel 4 vanPro de Wmo.
11. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beëindiging van het pgb een voor verzoekster belastend besluit is, waarbij het aan verweerder is om de nodige kennis omtrent de relevante (individuele) feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om te bewijzen dat aan de voorwaarden voor beëindiging is voldaan in beginsel op verweerder rust.
12. Uit artikel 4 vanPro de Wmo volgt dat de compensatieplicht die op verweerder rust moet zijn gericht op (onder meer) de zelfredzaamheid. Het is in beginsel aan verweerder om te bepalen op welke wijze invulling wordt gegeven aan die compensatieplicht en daartoe beleid te ontwikkelen. Een ter uitvoering van artikel 4 vanPro de Wmo genomen besluit dient in elk individueel geval maatwerk te zijn en dat kan er toe leiden dat die algemene beleidskeuzen in een concreet individueel geval juist niet kunnen worden toegepast vanwege strijd met dat compensatiebeginsel. Er dient zorgvuldig onderzoek te worden gedaan naar de beperkingen in zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, de bij de aanvrager bestaande behoefte en (de omvang van) de te treffen voorzieningen, rekening houdend met de individuele omstandigheden van de aanvrager.
13. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder in beginsel een eenmaal toegekende voorziening huishoudelijke hulp in de vorm van een pgb kan beëindigen, indien daarvoor gegronde redenen zijn. Van belang daarbij is dan wel dat verweerder alvorens tot beëindiging van het pgb over te gaan, een zorgvuldig onderzoek dient te verrichten naar de individuele feiten en omstandigheden van een aanvrager.
14. De voorzieningenrechter begrijpt de onder 6. door verweerder ter zitting gegeven toelichting aldus, dat de compensatieplicht van verweerder pas aan de orde komt wanneer verzoekster geen in redelijkheid van haar te vergen mogelijkheden heeft om zelf in samenwerking met anderen een oplossing voor haar probleem op het hiervoor onder 12. genoemde resultaatsgebied van artikel 4, eerste lid, van de Wmo, te realiseren. Daarbij gaat het, zoals ter zitting aan de orde is gekomen, om de uitleg van de begrippen ‘zelfredzaamheid’ en ‘eigen verantwoordelijkheid’.
15. In de onderhavige procedure ligt daarmee een aantal principiële rechtsvragen ter beantwoording voor, zoals geformuleerd onder 10. Een voorlopige voorzieningenprocedure leent zich echter in beginsel niet voor beantwoording van dergelijke rechtsvragen. Dergelijke rechtsvragen dienen bij voorkeur aan bod te komen in een – door een meervoudige kamer te behandelen – bodemprocedure en aldaar te worden beantwoord. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek, los van een voorlopig oordeel over de houdbaarheid van de inhoud van het bestreden besluit, beoordelen aan de hand van een afweging van de betrokken belangen.
16. Tegenover het belang van verzoekster bij het voortzetten van de indicatie huishoudelijke hulp 1 in de vorm van een pgb staat het belang van verweerder bij de uitvoering van de Wmo. In verband met de bestaande onzekerheid van de afloop van de bezwaarschriftprocedure en gelet op hetgeen partijen ter zitting (zie onder 5. en 6.) naar voren hebben gebracht, komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij afweging van de betrokken belangen een zwaarder gewicht toe aan het belang van verzoekster bij het voortzetten van het verstrekken van het pgb dan aan het belang van verweerder. Verzoekster heeft immers op dit moment belang bij een schoon en leefbaar huis.
17. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Deze zal inhouden dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na het nemen van het besluit op bezwaar en dat verweerder de aan verzoekster tot 1 december 2014 verleende voorziening in de vorm van een pgb ongewijzigd dient voort te zetten.
18. Omdat het verzoek wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
19. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor veroordeling van verweerder in de proceskosten, nu de gemachtigde van verzoekster ter zitting heeft verklaard dat van zodanige kosten geen sprake is.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat, indien binnen twee weken na bekendmaking van deze beslissing opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt ingediend, de getroffen voorziening doorloopt;
treft de voorlopige voorziening dat het verstrekken van een voorziening naar drie uren huishoudelijke hulp per week in de vorm van een pgb aan verzoekster na
1 december 2014 ongewijzigd dient te worden voortgezet;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2015.
griffier voorzieningenrechter
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.