Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 21 april 2015;
- het proces-verbaal van comparitie van partijen.
Rechtbank Noord-Nederland
Tussen partijen bestond een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een minimum-maximum arbeidsduur van 8 tot 173 uur per maand. De werknemer werkte aanvankelijk meer uren dan het minimum, maar daarna slechts het minimum. De werkgever staakte de bedrijfsactiviteiten op de oorspronkelijke locatie en stelde de werknemer voor elders te werken, waarbij de werknemer reiskosten maakte.
De werknemer vorderde loon over 24 uur per week voor oktober tot en met december 2014, reiskostenvergoeding en salarisspecificaties. De werkgever betwistte dat de werknemer meer dan het minimum aantal uren had gewerkt en stelde dat de werknemer de arbeidsovereenkomst had opgezegd.
De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst niet was beëindigd door opzegging van de werknemer en dat het rechtsvermoeden van arbeidsduur niet van toepassing was omdat de werknemer slechts in de eerste maand structureel meer werkte. Daarom werd de arbeidsduur vastgesteld op het minimum van 8 uur per week.
De loonvordering over oktober en november werd afgewezen omdat het loon voor die maanden was voldaan, maar de loonvordering over december werd toegewezen. De reiskostenvergoeding werd toegekend omdat de wijziging van de werklocatie op initiatief van de werkgever was en de kosten redelijk waren. De werkgever werd tevens veroordeeld tot het verstrekken van salarisspecificaties.
De proceskosten werden gecompenseerd zodat elke partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: De werkgever is veroordeeld tot betaling van achterstallig loon over december 2014, vergoeding van reiskosten en het verstrekken van salarisspecificaties.