Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 20 augustus 2014
- het proces-verbaal van comparitie van 15 december 2014
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
Rechtbank Noord-Nederland
De zaak betreft een vordering van een broer tegen zijn zus, die jarenlang als bewindvoerster het vermogen van de broer beheerde. De broer vorderde een bedrag van ruim €28.000 wegens vermeend slecht beheer en onrechtmatige bestedingen tijdens de bewindvoering van 2007 tot 2013. Hij stelde dat de zus verantwoordelijk was voor een schuld aan de Belastingdienst vanwege ten onrechte ontvangen huurtoeslagen en dat diverse betalingen onverklaard waren.
De zus betwistte de verantwoordelijkheid voor de huurtoeslagen en stelde dat de broer gedurende de bewindperiode grotendeels zelfstandig over zijn geld kon beschikken. Zij ontkende onrechtmatige bestedingen en gaf aan dat leningen aan haar steeds zijn terugbetaald. De rechtbank constateerde dat de broer zijn vordering onvoldoende concreet en met bewijs had onderbouwd, en dat hij zijn standpunt meerdere malen had gewijzigd.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast voor de onrechtmatigheid bij de broer lag en dat hij geen concreet bewijs had geleverd. De bankafschriften vormden een weergave van het beheer en de zus had geen reden gegeven om het tegendeel te bewijzen. Daarom wees de rechtbank de vordering af en bepaalde dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af wegens onvoldoende onderbouwing en bewijs van onrechtmatig beheer.