ECLI:NL:RBNNE:2015:4266

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
2 september 2015
Publicatiedatum
8 september 2015
Zaaknummer
4402602 / AR VERZ 15-9
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:670 BWArt. 7:671b lid 2 BWArt. 7:671b lid 8 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens disfunctioneren leerkracht in het basisonderwijs

De werknemer, sinds 1981 in dienst als leerkracht bij de stichting, kon niet meer voldoen aan de functie-eisen. Ondanks begeleiding en coaching was geen blijvende verbetering bereikt. Herplaatsing binnen de organisatie was niet mogelijk.

De werkgever verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van disfunctioneren, conform artikel 7:671b lid 1 BW in verbinding met artikel 7:669 lid 3 BW Pro. De werknemer erkende het disfunctioneren en het ontbreken van herplaatsingsmogelijkheden.

De kantonrechter stelde vast dat er een redelijke grond voor ontbinding was en dat geen opzegverbod van toepassing was. Partijen stemden in met een ontbinding per 14 december 2015 en een vergoeding van € 5.000,- voor outplacement en scholing. De kantonrechter wees de ontbinding toe en bepaalde dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 14 december 2015 met een vergoeding van € 5.000,- voor outplacement en scholing.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Assen
zaak-/rolnummer: 4402602 / AR VERZ 15-9
beschikking van de kantonrechter ex artikel 7:671b lid 1 BW d.d. 2 september 2015
de stichting
STICHTING COG DRENTHE,
gevestigd te Assen,
verzoekende partij,
gemachtigde: mr. J.J. de Reuver,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
gemachtigde: mr. E.M. van der Molen.
Partijen zullen hierna de werkgever en de werknemer worden genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
De werkgever heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, ingekomen ter griffie op 27 augustus 2015.
1.2.
De werknemer heeft op 31 augustus 2015 een verweerschrift ingediend.

2.De feiten

2.1.
De werknemer, geboren op [geboortedatum] 1954, is op 1 januari 1981 in dienst getreden bij de werkgever. De laatste functie die de werknemer vervulde, is die van leerkracht, met een brutosalaris van € 3.313,00 per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Primaire Onderwijs van toepassing.

3.Het verzoek

3.1.
De werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden ingevolge artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid Pro 3, onderdeel d BW.
3.2.
Aan dit verzoek legt de werkgever het volgende - samengevat - ten grondslag. Gaandeweg het dienstverband heeft de werknemer steeds meer moeite gekregen om te voldoen aan de eisen die aan de functie van leerkracht in het basisonderwijs worden gesteld. Het uitoefenen van de functie legde een te grote druk op werknemer. Regelmatig(e) overleg, begeleiding en coaching hebben niet tot een dusdanige blijvende verbetering in het functioneren van werknemer geleid, dat hij als leerkracht bij werkgever aan het werk kan blijven. Er zijn geen mogelijkheden voorhanden om werknemer binnen de organisatie van werkgever in een andere functie te herplaatsen, zo heeft onderzoek uitgewezen. Gelet op een en ander kan de arbeidsovereenkomst van partijen niet meer worden voortgezet en dient deze te worden beëindigd.
3.3.
Werkgever stelt bereid te zijn om aan werknemer een bedrag van € 5.000,00 inclusief BTW (op declaratiebasis) ter beschikking te stellen ten behoeve van een outplacement- en/of scholingstraject.

4.Het verweer

4.1.
De werknemer erkent dat er sprake is van een situatie dat hij niet meer naar behoren binnen de organisatie van werkgever kan functioneren. Ook de werknemer ziet geen mogelijkheden voor herplaatsing.

5.De beoordeling van het verzoek

5.1.
De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW Pro volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Gelet op de standpunten van partijen is sprake van een redelijke grond voor ontbinding, als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid Pro 3, onderdeel d, BW, terwijl niet gebleken is dat er een mogelijkheid tot herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn is.
5.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is onderzocht of een opzegverbod ingevolge artikel 7:670 BW Pro of enig ander opzegverbod geldt, hetgeen niet het geval is.
5.3.
Partijen hebben meegedeeld dat een opzegtermijn van drie maanden geldt en verzoeken de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8 BW met ingang van 14 december 2015 te ontbinden.
5.4.
Partijen hebben er verder op gewezen dat ingevolge artikel 2 van Pro het Besluit overgangsrecht transitievergoeding (staatsblad 2015, nr. 172) in de onderhavige situatie nog geen transitievergoeding verschuldigd is, aangezien werknemer op grond van de toepasselijke CAO aanspraak maakt op een bovenwettelijke uitkering naast de reguliere WW. Gelet hierop zal de kantonrechter geen transitievergoeding toekennen.
5.5.
Nu de vergoeding in overeenstemming is met hetgeen werkgever heeft aangeboden, hoeft de werkgever geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.
5.6.
Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 14 december 2015;
6.2.
compenseert de proceskosten;
6.3.
verstaat dat werkgever aan de werknemer een bedrag van € 5.000,00 inclusief BTW (op declaratiebasis) ter beschikking zal stellen ten behoeve van een outplacement- en/of scholingstraject.
Aldus gegeven te Assen en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2015 door mr. M.E. van Rossum, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.
c: 744/MP