Eiseres, eigenaar van een containerschip, werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag binnenhavengeld voor het maken van zwaaibewegingen in een gemeentelijke haven. Zij betwistte de aanslag en stelde dat de zwaaibeweging geen belastbaar feit vormt, dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, dat de heffing willekeurig en onredelijk is en dat de opbrengstlimiet is overschreden.
De rechtbank overwoog dat de zwaaibeweging kwalificeert als gebruik van de haven overeenkomstig de bestemming en daarmee een belastbaar feit vormt. Het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat passanten niet vergelijkbaar zijn met beroepsvaart en de tarieven niet willekeurig of onredelijk zijn omdat de zwaaibeweging noodzakelijk is. De opbrengstlimiet werd niet overschreden omdat de geraamde baten lager zijn dan de lasten, en verweerder voldoende inzicht had gegeven in de begrotingsgegevens.
De rechtbank concludeerde dat de beroepsgronden niet slaagden en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.