ECLI:NL:RBNNE:2015:513
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling proceskostenvergoeding en hoorzitting bij WOZ-bezwaarprocedure
De zaak betreft een geschil over de hoogte van de proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure tegen de WOZ-waarde van een onroerende zaak in Groningen. Verweerder had de waarde vastgesteld en na bezwaar van eiser deze verminderd. Eiser stelde dat de proceskostenvergoeding ten onrechte met een wegingsfactor van 0,5 was vastgesteld en dat het gesprek op 22 mei 2013 als hoorzitting moest worden aangemerkt.
De rechtbank stelt vast dat het gesprek van 5-10 minuten tussen verweerder en de gemachtigde van eiser niet kwalificeert als een hoorzitting in de zin van artikel 7:2, eerste lid, Awb, omdat er geen inhoudelijke behandeling van het bezwaar plaatsvond en eiser geen aanvullingen wilde geven. Ook was de zaak van eiser niet als eerste aan de orde. De rechtbank oordeelt dat de wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase ten onrechte door verweerder op 0,5 is vastgesteld en dat deze 1 had moeten zijn.
Met betrekking tot de vergoeding van taxatiekosten stelt de rechtbank vast dat de taxatie een relevante bijdrage leverde en dat de vergoeding op basis van de richtlijn WOZ-taxaties 2 uur à € 50 exclusief BTW moet bedragen, oftewel € 121 inclusief BTW. De totale proceskostenvergoeding dient daarom € 364 te bedragen. Omdat verweerder reeds € 395,50 heeft toegekend, is het door verweerder vergoede bedrag niet te laag. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de proceskostenvergoeding wordt ongegrond verklaard.