ECLI:NL:RBNNE:2015:6396
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na verduistering door beroepsuitoefening
De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 3 december 2015 een vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor verduistering van PGB-gelden.
De rechtbank baseerde de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op bankafschriften, ambtelijke processen-verbaal en verklaringen, waaruit bleek dat veroordeelde aanzienlijke bedragen van de PGB-budgetten van drie benadeelden had ontvangen en slechts een beperkt deel aan zorgkosten had besteed. Voor werkzaamheden mocht veroordeelde een forfaitair bedrag van 1,5% van het toegekende PGB-budget per jaar rekenen.
De verdediging voerde aan dat de ontnemingsvordering niet toewijsbaar was vanwege meerdere schuldeisers en onduidelijkheid over terugvorderingen door derden, alsmede dat de vordering verminderd moest worden met bedragen voor werkzaamheden. De rechtbank verwierp deze verweren, onder meer omdat de werkzaamheden niet verifieerbaar waren en de draagkracht van veroordeelde pas in de executiefase aan de orde komt.
Na verrekening van reeds toegewezen vorderingen van twee benadeelden kwam de rechtbank tot een definitief ontnemingsbedrag van €17.091,58, dat veroordeelde aan de staat moet betalen. De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht €17.091,58 aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.