De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor drie feiten: seksueel binnendringen van een 16-jarig meisje met een licht verstandelijke beperking, het opzettelijk onttrekken van dit meisje aan het wettig gezag en het digitaal toezenden van een schadelijke afbeelding aan een 13-jarig meisje. De rechtbank oordeelde dat het onvermogen tot wilsbepaling van het slachtoffer situatie-afhankelijk is (relatief onvermogen) en dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het slachtoffer niet in staat was weerstand te bieden.
De bewijsvoering bestond uit verklaringen van het slachtoffer, de voogd, politieambtenaren, en een psychologisch rapport waaruit bleek dat het slachtoffer functioneerde op het niveau van een jong kind. Verdachte erkende het seksueel contact en het sturen van de naaktfoto, maar ontkende kennis van de verstandelijke beperking van het slachtoffer en het feit dat de ontvangers van de foto’s minderjarig waren.
De rechtbank verwierp de verweren van de verdediging, waaronder het betoog dat het digitaal toezenden van de afbeelding niet onder artikel 240a Sr valt en dat de verklaringen van slachtoffers niet rechtsgeldig waren. De strafmaat werd bepaald op 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, mede vanwege de ernst van het misbruik en de kwetsbaarheid van het slachtoffer. Daarnaast werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder reclasseringstoezicht en controle op digitale apparatuur.
De vorderingen van benadeelde partijen werden deels afgewezen wegens onvoldoende bewijs of ontvankelijkheid, maar aan één slachtoffer werd een immateriële schadevergoeding van €200 toegekend. De rechtbank legde ook voorwaarden op aan verdachte omtrent medewerking aan identificatie en behandeling.