ECLI:NL:RBNNE:2016:2439

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2016
Publicatiedatum
25 mei 2016
Zaaknummer
LEE 15/2885
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K. Wentholt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 lid 9 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenArt. 629 Boek 7 Burgerlijk WetboekArt. 76a lid 1 ZiektewetArt. 65 WIAArt. 7:658a lid 1 Burgerlijk Wetboek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen bij verstoorde arbeidsverhouding

De zaak betreft een loonsanctie opgelegd door het UWV aan een werkgever wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen ten aanzien van een langdurig zieke werknemer. De werknemer was sinds 1989 in dienst en viel in februari 2013 wegens ziekte uit. Het UWV stelde vast dat de werkgever onvoldoende had gedaan om de re-integratie te bevorderen, met name door het niet aanpakken van een verstoorde arbeidsverhouding.

De werkgever voerde aan dat zij passende lichte werkzaamheden had aangeboden en dat er geen sprake was van een arbeidsconflict dat de re-integratie belemmerde. Wel was er sprake van een onbalans tussen de persoonlijkheden van werkgever en werknemer, maar mediation werd niet noodzakelijk geacht. De bedrijfsarts en arbeidsdeskundigen adviseerden echter een mediationtraject vanwege de verstoorde arbeidsrelatie.

De rechtbank concludeerde dat de verstoorde arbeidsverhouding een nadelige invloed had op de re-integratie en dat de werkgever onvoldoende had gedaan om deze te verbeteren, ondanks de adviezen. De werkgever had het mediationadvies niet opgevolgd en geen andere inspanningen verricht om tot een werkbare relatie te komen. Hierdoor was het re-integratieresultaat nihil en was de loonsanctie terecht opgelegd.

De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van de werkgever tegen de loonsanctie is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 15/2885

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2016 in de zaak tussen

VOF Handelsonderneming [naam v.o.f.], te Walterswald, eiseres
(gemachtigde: mr. J.G.N. Schreuders),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: P.J. Langius).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [volledige naam werknemer] , te [woonplaats werknemer] .

Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiseres het loon van de heer [werknemer] moet doorbetalen tot 1 februari 2016 omdat zij niet voldaan heeft aan haar re-integratieverplichtingen.
Bij besluit van 25 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2016. Namens eiseres is haar vennoot B. [werkgever] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is verschenen, bijgestaan door mr. Sj. Borger.

Overwegingen

1. [werknemer] is vanaf 16 mei 1989 in dienst bij eiseres op basis van een vast contract voor 40 uur per week. [werknemer] , die werkzaam was als werkvoorbereider/bouwkundig tekenaar/algemeen medewerker, is per 4 februari 2013 wegens ziekte uitgevallen.
2. De bestreden loondoorbetalingsverplichting die aan eiseres is opgelegd, berust op de conclusie van verweerder dat eiseres onvoldoende heeft gedaan om [werknemer] te re-integreren. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op de onderzoeksbevindingen van een arbeidsdeskundige, een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
Volgens de rapportage van 19 december 2014 van de arbeidsdeskundige was het in verband met de medische behandeling van [werknemer] tot juni 2013 niet mogelijk om te re-integreren. Vervolgens kwam het tot en met maart 2014 niet tot re-integratie vanwege de moeizame arbeidsverhouding tussen werkgever en werknemer. Ondanks adviezen van de bedrijfsarts en de door eiseres ingeschakelde arbeidsdeskundige ( [naam arbeidsdeskundige] ) werd er gedurende de re-integratie niet gewerkt aan het verbeteren van de arbeidsrelatie door mediation. Volgens de arbeidsdeskundige zijn de inspanningen van eiseres onvoldoende geweest omdat vorenbedoelde adviezen niet zijn opgevolgd. Door het gevolgde re-integratietraject werden de spanningsklachten die [werknemer] ervoer onderhouden, hetgeen niet bevorderlijk was voor verder herstel. Sinds 8 december 2014 is [werknemer] zelfs wederom volledig arbeidsongeschikt. Het re-integratieresultaat is dus nihil.
Volgens de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 juni 2015 hebben de spanningsklachten en mogelijk ook het laten verrichten van te zware werkzaamheden de opbouw in uren daadwerkelijk geblokkeerd waardoor [werknemer] , die voor 40 uur per week belastbaar wordt geacht, niet verder is gekomen dan 5 dagdelen (20 uur) per week. Hierdoor is er onvoldoende re-integratieresultaat behaald.
Volgens de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 juni 2015 heeft eiseres een mogelijke herplaatsingskans voor [werknemer] in de eigen organisatie voorbij laten gaan door ondanks de adviezen van de bedrijfsarts en de door eiseres ingeschakelde arbeidsdeskundige niet te werken aan het verbeteren van de arbeidsrelatie. Dit geldt te meer daar de bedrijfsarts heeft aangegeven dat er uiteindelijk herstel voor het eigen werk te verwachten is.
3. Eiseres betwist de juistheid van de conclusies waarop de bestreden loonsanctie is gebaseerd. Volgens eiseres heeft [werknemer] slechts voorkomende lichte werkzaamheden verricht. Alle werkzaamheden zijn afgestemd met [werknemer] van wie eiseres nooit een signaal heeft ontvangen dat bepaalde werkzaamheden te zwaar waren. Er zijn gesprekken gevoerd met [werknemer] , waarbij ook de arbeidsrelatie aan de orde is geweest en is gebleken dat sprake was van een onbalans tussen de persoonlijkheden van [werkgever] en [werknemer] , die een negatieve invloed had op de re-integratie. Om [werknemer] daarbij te ondersteunen is in het najaar van 2013 een interventie door middel van bedrijfsmaatschappelijk werk verricht. Naar aanleiding van de rapportage van de arbeidsdeskundige [naam arbeidsdeskundige] van 4 maart 2014, die concludeerde dat er bij de eigen werkgever geen herplaatsingsmogelijkheden waren, heeft eiseres met [werknemer] overlegd en is vanaf 31 maart 2014 vol ingezet op het tweede spoor met begeleiding naar ander werk bij een andere werkgever. Tevens is het plan van aanpak gewijzigd en is een start gemaakt met het opbouwen van arbeidsritme bij de eigen werkgever. De conclusie luidde dat er geen beletsel aanwezig was om de re-integratie te starten, dat er geen sprake was van een arbeidsconflict en dat de geadviseerde mediation dan ook niet nodig was. Pas in oktober 2014 spreekt de bedrijfsarts van een verstoorde arbeidsverhouding die een succesvol verloop van de re-integratie niet bevordert. In de voortgangsgesprekken tussen [werkgever] en [werknemer] zijn de verstoorde verhouding en spanningsklachten door [werknemer] nooit benoemd. De ziekmelding van [werknemer] op 8 december 2014 verraste [werkgever] volledig. Volgens eiseres heeft zij al het mogelijke gedaan wat van een goed werkgever in het kader van re-integratie verwacht mag worden.
4. Artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) luidt dat indien blijkt dat de werkgever onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, verlengt opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of reïntegratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.
Ingevolge artikel 65 van Pro de WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het Uwv of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de reïntegratie-inspanningen, die zijn verricht.
Ingevolge artikel 7:658a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bevordert de werkgever ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van artikel 629, artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.
5. De rechtbank begrijpt dat verweerders conclusie dat eiseres te kort is geschoten in de van haar te verlangen inspanningen met het oog op de re-integratie van [werknemer] , in de eerste plaats gebaseerd is op de tegenwerping dat zij onvoldoende heeft gedaan om de verstoorde onderlinge arbeidsverhouding aan te pakken. De rechtbank komt niet toe aan beoordeling van de vraag of de werkzaamheden die eiseres [werknemer] in het kader van zijn re-integratie heeft aangeboden passend voor hem waren.
6. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier voldoende overtuigend dat tussen [werknemer] en zijn werkgever in de persoon van de heer [werkgever] sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding die een nadelige uitwerking had op de re-integratie van [werknemer] . Zo heeft de bedrijfsarts de arbeidsverhouding als probleemveld aangemerkt en eiseres geadviseerd de knelpunten te inventariseren en hierover wederzijds gedragen afspraken te maken. Verder was het volgens de onderzoeksbevindingen van het Uwv in verband met de medische behandeling van [werknemer] tot juni 2013 niet mogelijk om te starten met zijn re-integratie, maar is daarmee ook vervolgens tot en met maart 2014 geen begin gemaakt vanwege de moeizame arbeidsverhouding tussen [werknemer] en zijn werkgever. De arbeidsdeskundige [naam arbeidsdeskundige] heeft eiseres op 4 maart 2014 geadviseerd in verband met de verstoorde arbeidsverhoudingen per direct een mediationtraject te starten om zo spoedig mogelijk met de re-integratie bij de eigen werkgever te kunnen beginnen. Voorts heeft de bedrijfsarts, na [werknemer] op 14 oktober 2014 op het spreekuur te hebben gezien, geconstateerd dat er nog verstoorde arbeidsverhoudingen zijn en dat de spanningsklachten die hierdoor worden onderhouden niet bevorderlijk zijn voor een succesvol verloop van de re-integratie.
Voor zover eiseres stelt dat zij niet op de hoogte was van de verstoorde arbeidsverhouding en de nadelige gevolgen daarvan voor de re-integratie van [werknemer] , kan de rechtbank dit niet volgen alleen al gelet op de informatie die hierover is opgenomen in de adviezen van de bedrijfsarts en van de arbeidsdeskundige [naam arbeidsdeskundige] aan eiseres.
7. Vast staat dat eiseres het advies van de arbeidsdeskundige [naam arbeidsdeskundige] , om in verband met de verstoorde arbeidsverhouding en met het oog op de re-integratie van [werknemer] mediation te laten plaatsvinden, niet heeft opgevolgd. Ook niet gebleken is dat eiseres zich op andere wijze heeft ingespannen om alsnog te komen tot een werkbare arbeidsverhouding met het oog op de re-integratie van [werknemer] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit in redelijkheid aan eiseres kunnen tegenwerpen als tekortkoming in het kader van de van haar te verlangen re-integratie inspanningen. Naar aanleiding van de opmerking in het bijgestelde plan van aanpak WIA van 1 april 2014, dat werkgever en werknemer concluderen dat er geen noodzaak bestaat voor mediation, overweegt de rechtbank dat dit eiseres niet vrijstelt van haar verantwoordelijkheid als werkgever voor de re-integratie van [werknemer] , nu deze verantwoordelijkheid uit de wet voortvloeit en deze overigens mede ziet op het zogenaamde 1e spoor.
8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerders conclusie dat eiseres onvoldoende re-integratie inspanningen heeft verricht, op een toereikende grondslag berust. Het bestreden beluit houdt in rechte stand.
9. Het beroep is ongegrond
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.A. Schoenmakers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
13 mei 2016.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.