Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek
4.Het verweer
5.De beoordeling
€ 400,00
Rechtbank Noord-Nederland
De werknemer, een buschauffeur bij Arriva, werd op 1 juni 2016 op staande voet ontslagen wegens het niet verstrekken van vervoersbewijzen aan betalende passagiers, wat volgens de werkgever een dringende reden vormde. De werkgever baseerde dit op klachten en een onderzoek door een detectivebureau, waarin werd vastgesteld dat de werknemer bij drie ritten geen kaartjes verstrekte aan een mystery guest die contant betaalde.
De werknemer betwistte het ontslag en stelde dat hij wel degelijk kaartjes verstrekte, maar soms later stempelde en weggooide wanneer passagiers direct doorliepen. Ook wees hij op het ontbreken van een duidelijk beleid van de werkgever over het bewaren en verstrekken van kaartjes. Verder leverde hij zijn consignatievoorraad met dezelfde waarde in als hij had ontvangen.
De kantonrechter oordeelde dat het niet direct verstrekken van kaartjes niet automatisch betekent dat de werknemer deze niet later heeft verstrekt. Er was geen bewijs dat de werknemer geld heeft achtergehouden. Ook ontbrak een duidelijk beleid van de werkgever over de kaartjesverstrekking. Daarom was het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. De kantonrechter vernietigde het ontslag, veroordeelde de werkgever tot werkhervatting binnen twee dagen onder dwangsom en tot doorbetaling van loon met wettelijke verhoging en rente. De proceskosten kwamen voor rekening van de werkgever.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de werkgever wordt veroordeeld tot werkhervatting en doorbetaling van loon.