ECLI:NL:RBNNE:2016:4048
Rechtbank Noord-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toekenning voorlopige voorziening voor individuele begeleiding op grond van Jeugdwet
Verzoeker, een minderjarige met ASS (niveau 2) en kenmerken van ADHD, had een aanvraag ingediend voor een jeugdhulpvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding. Deze aanvraag werd door verweerder afgewezen op grond van het standpunt dat de knelpunten binnen gebruikelijke zorg vielen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het primaire besluit onvoldoende gemotiveerd was, omdat niet concreet was toegelicht waarom de knelpunten onder gebruikelijke zorg vielen. Dit vormde een motiveringsgebrek in strijd met artikel 3:2 Awb Pro. Hoewel dit gebrek in bezwaar hersteld kon worden, was het voorlopig oordeel dat verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat verzoeker geen recht had op de voorziening.
Gezien de spoedeisendheid en het belang van verzoeker, en de onzekerheid over de afloop van de bezwaarprocedure, werd een belangenafweging gemaakt. Het belang van verzoeker bij toekenning van het pgb voor individuele begeleiding woog zwaarder dan het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van het primaire besluit.
De voorzieningenrechter bepaalde dat het primaire besluit geschorst werd en dat verzoeker vanaf 1 juni 2016 recht heeft op 4 uur per week individuele begeleiding via een pgb, in afwachting van nader onderzoek door een klinisch neuropsycholoog. Tevens werd het betaalde griffierecht aan verzoeker vergoed.
Uitkomst: Het primaire besluit wordt geschorst en verzoeker krijgt vanaf 1 juni 2016 een pgb voor 4 uur per week individuele begeleiding toegekend.